Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

Het Uniform en de Trompetter. Leen den Boer Story.

Van Leen den Boer kreeg ik een paar leuke herinneringen binnen. Hier komen ze.

 

Belangrijke lichting 64-1


5 februari 1964. 64-1. Ferme jongens, stoere knapen. Staande
tweede van links: Leen den Boer. Foto: Leen den Boer.

Leen is van de lichting 64-1. Een flinke en belangrijke lichting. Opkomstdatum van die lichting was 5 februari 1964. Leen kwam, net als de meesten van ons, voor eerste oefening op in Ossendrecht. 64-1 was dezelfde lichting waarin ook legendarische mannen zaten als Johan Altena, Hubke Claassen, Jo Coenen, John Ernst, Jan Greten, Carl Hoornstra, Ruud Martijn, Martin van Mierlo, Frits Rademakers, Paul Rybakowski, Wim Schipper, Piet van Summeren, Piet Toonstra, Harrie Varenbrink en onze foerier Piet Vlaar. Het gekke was dat niet veel van deze mannen ook bij elkaar in een opleidingspeloton zaten. De meesten kwamen elkaar pas later tegen.

 

64-1 was er op tijd bij

De mannen waren op tijd opgeroepen. Het Leger had ze in juli dringend in La Courtine nodig. Niemand was zich bewust van het belangrijke uitstapje (of onzalige uitstapje, afhankelijk van de eigen mening) dat hen over een half jaar te wachten stond. Niemand maakte zich daar ook al druk over. Dat lag ver in de toekomst. Eerst moest die verrekte basisopleiding maar eens worden afgewerkt. Het was stervenskoud en menigeen heeft dan ook lopen vloeken toen ze in de keiharde grond een schuttersputje "mochten" graven of in een pubtentje lagen te verkleumen.

 

Het Uniform


Oud-model uniform geshowd
door John Ernst. Tel de
knopen eens. Foto: John Ernst.

Leen had een heel ander type basisinstructeur dan onze wachtmeester van der Velde. Zijn basisinstructeur was een man die minder psychologisch met de nieuwbakken soldaten omging. Eén van de eerste keren dat Leen z’n uniform aan had, maakte hij kennis met de opvoedkundige acties van zijn instructeur. Zoals jullie nog wel weten, zaten er plenty knopen op dat "Eerste Grijs". Je had knopen op de zakken, voor en aan de zijkant, maar ook op de epauletten. En ik meen dat er op de kniezakken ook nog een paar zaten.

 

Latijnse legerafkorting

Net als Jantje, die ervan uitging dat men een paar pruimen wel niet zou missen, dacht Leen zoiets van: "Ach, aan een uniform zo rijk behangen, mist men één, twee knopen niet". Dan had hij toch buiten de waard i.c. (alweer zo’n Latijnse afkorting die we in het leger regelmatig tegen kwamen. De betekenis heb ik ook even voor jullie opgezocht. Dit is een afkorting van in casu en dat betekent zoveel als: in dit geval. Deze uitleg opnieuw even terzijde i.c. tussenhaakjes). We raken de draad kwijt. Laat ik die laatste zin nog maar eens opnieuw beginnen.

 

Een zakmes en twee uniformknopen

Dan had Leen toch buiten de waard i.c. zijn basisinstructeur gerekend. Tijdens een inspectie vroeg de man hem: "Heb jij je zakmes bij je?". Nu was het verplicht om je zakmes altijd bij je te hebben. Waarom is me nooit duidelijk geworden. Ik gebruikte het alleen maar om flesjes bier te openen. Maar misschien had de legerleiding gedacht dat we het in voorkomende gevallen konden gebruiken om de banden van Russische auto’s lek te steken of zoiets. En moesten we het daarom altijd bij ons hebben. Ik had in elk geval een grote hekel aan die bobbel in mijn broekzak, die gek genoeg nooit met iets anders werd verward.

Leen had zijn mes ook bij zich. Blij die vraag van zijn instructeur positief te kunnen beantwoorden, knikte Leen opgewekt van ja. "Dan geef me die maar eens hier", zei de wachtmeester annex pelotonskweller. Argeloos haalde Leen het mes uit zijn broekzak en overhandigde het. De instructeur opende het mes. En terwijl hij zei: "Die twee knopen zitten los" sneed hij de twee dubieuze zakkensluiters van Leen’s uniform. Nu zaten ze in elk geval niet meer los. Dat was balen. Knopen aannaaien daar had Leen een geweldige hekel aan. Vooral als ze op zo’n achterbakse manier van zijn "Eerste Grijs" waren verwijderd.

 

Kwestie van overleven

Mijn eigen wachtmeester van der Velde had ook wel een handje in dit soort opvoedkundige ingrepen. Hij had ons op het hart gedrukt nooit ons wapen uit het oog te verliezen. Maar ja, daar kon je natuurlijk niet altijd aan denken en je ging ook niet met dat onding onder de douche, om maar wat te noemen. Tijdens een pauze in een veldloop op de Ossendrechtse heide zaten we onze boterhammetjes op te peuzelen. Iemand had zijn Karabijn rechtop tegen een boom geparkeerd en zijn voorbeeld was door zowat het hele peloton gevolgd. Toen de boterhammetjes op waren, vonden we onze wapens terug. Niet meer tegen de boom, maar rechtop met de loop in het zand gestoken. We waren daarna uren bezig met het schoon maken van die Karabijnen. Het zand zat overal. Het wapen bestond uit tientallen kleine onderdelen zoals veertjes, palletjes en schroefjes. Als je meende dat alles eindelijk schoon was, hoorde je toch weer ergens in het wapen het knarsen van zand. Was je dat één keer overkomen, gebeurde het nooit meer. De Karabijn zat daarna aan je lijf geschroefd. Wat ook de bedoeling was van van der Velde. Hij wilde dat we soldaten werden die in oorlogstijd zouden overleven. Knopen afsnijden hoorde in een andere categorie thuis: "Pesterijtjes".

 

Bijverdienste


Leen den Boer in de Elias Beeckmankazerne. Leen
draaide voor het strijken van het taaie "Eerste Grijs"
zijn hand niet om. Foto: Leen den Boer.

Terug naar Leen. Knopen aannaaien daar had hij dus een broertje dood aan. Maar de plooien in het uniform strijken, dat vond hij wel leuk. Zoals jullie nog wel weten waren die uniformen, met de mooie naam "Eerste Grijs" van de lichtingen tot en met 64-2 gemaakt van oude paardendekens.

Een griezelige harige, maar vooral kriebelige soort stof. Als je het uniform alleen al zag, begon het overal aan je lijf te jeuken. Maar dat was niets vergeleken bij de jeuk die je had als je het uniform ook werkelijk had aangetrokken. Dan leek het wel of je in een bak met jeukpoeder was gevallen. Alles went natuurlijk en na verloop van tijd merkte je het niet eens meer. Als het zover was, dan zei men van je: "Daar loopt een geharde soldaat’. Nu weten jullie ook wat die uitdrukking betekent: dat was een soldaat die zijn uniform had ingelopen. Alle soldaten tot en met lichting 64-2 waren geharde soldaten.

 

Plooien in dat uniform strijken was een heidense klus. En toch moest het. Want zonder vouw was er geen verlof. Je stond een half uur te persen op die taaie stof. Dan zag je eindelijk de contouren van een vouw. Maar knipperde je één keer met de ogen, dan was hij ook al weer verdwenen. Persen van dat uniform was een hele Kunst en Leen beheerste die Kunst perfect. Zijn plooi zat er altijd prima in en omdat het hem zo goed af ging, deed hij het ook vaak voor anderen. Gratis voor zijn dienstmaatjes, tegen betaling voor anderen. Soms was hij er zo druk mee dat er rijen voor zijn strijktafel stonden. Ach, we kregen maar 1 gulden per dag, maar de creatieven onder ons wisten moeiteloos iets te bedenken om hun inkomen op een aanvaardbaar peil te brengen.

Hoe het komt dat Leen die Kunst van het uniform strijken zo goed beheerste vermeldt de geschiedenis niet. Hij was, net als de meeste Verbindingsdienstmannen, elektricien. En kwam niet uit een eeuwenoud uniformstrijkersgeslacht of zo. Dus….?

 

De Trompetter


Tamboer- en trompetterkorps van de Verbindingsdienst
waar Leen dapper een partijtje in mee blies.
Foto: Museum van de Verbindingsdienst.

Zo tegen 4 april 1964 eindigde de basisopleiding voor Leen en zijn 64-1 lichting. Ze gingen naar de vervolgopleiding. Leen kwam terecht op de Elias Beeckmankazerne in Ede en werd daar in twee maanden opgeleid tot centralist.

In die tijd speelde Leen als trompettist in de plaatselijke fanfare (niet de plaatselijke fanfare van Ede, maar van de plaats waar hij toen woonde: ’s Gravendeel). Het duurde geen week of hij werd al gevraagd mee te blazen met het muziekkorps van de Verbindingsdienst. Dat korps bestond toen nog en was ingekwartierd op de Beeckmankazerne. Daar stond de jonge ’s Gravendeler als beginnend soldaatje tussen al die beroepsmuzikanten. Maar hij blies dapper van zich af. En op die manier ontkwam hij aan wachtbeurten en onder militair ongerief als daar zijn: inspecties en veldlopen. Ook tijdens militaire parades op feestdagen was hij van de partij. En er kwamen een paar feestdagen voorbij in de korte tijd dat hij op de Beeckman zat: Koninginnedag, Dodenherdenking, Bevrijdingsdag. Dat lijken er niet veel, maar voor al die dagen werd wel drie maal zoveel geoefend.

Intussen deed Leen ook nog zijn centralistenopleiding. Rond 5 juni was hij daar mee klaar en hij werd overgeplaatst naar de parate troepen.

 

B-compagnie

Om precies te zijn naar de B-compagnie van het 11Verbindingsbataljon. De B-compagnie was onze tegenhanger, zij waren altijd met verlof als wij paraat waren. En omgekeerd. Van die jongens kenden we bijna niemand. De CC van de B-cie was kapitein van der Let op het moment dat Leen daar geplaatst werd. Leen vond dat het bij de B-cie minder prettig toeven was. Het kader was er altijd op uit om de mannen te testen en ze werden daar ook voortdurend aan volkomen onnodige oefeningetjes en pesterijtjes onderworpen. In feite was iedereen bij de A- en B-compagnie jaloers op de mannen van de C-compagnie. Bij ons zat een aardig en soepel kader, dat goed met de dienstplichtigen kon opschieten. In het algemeen gesproken dan.

 

Garde Grenadiers


Embleem van de Garde Grenadiers. Foto: Wikipedia.

Kapitein Luchsinger was de compagniescommandant (CC) van de C-compagnie. Hij was oorspronkelijk een kapitein van het infanterieregiment Garde Grenadiers. De Garde Grenadiers waren bij ons beter bekend onder de naam "Bloemkolen" of de "Bloemkoolhap". Omdat de ontploffende granaatappel in hun embleem wel een beetje op een bloemkool leek. Kapitein Luchsinger was dus gewend met stoere jongens om te gaan. Met die intelligente mannekens van de Verbindingsdienst had hij wat meer moeite. Hij was een hele aardige en goede compagniescommandant. Als je bij hem op rapport moest komen en je had een goed verhaal, kwam je meestal wel onder een douw uit. Hij had veel begrip voor de dienstplichtigen.

 

Wij gaan naar La Courtine

Bij het 11Verbindingsbataljon ging in juni 1964 al snel de mare rond dat de C-compagnie eind juli voor twee maanden op oefening naar La Courtine zou gaan. Leen zag dat wel zitten. Hij had in ’s Gravendeel toen nog geen verplichtingen (lees: verkering, verloofde of echtgenote) en een buitenlands snoepreisje, ook al was dat op de keiharde achterbank van een drie-tonner, zag Leen wel zitten. Hij kende ook al een paar woordjes Frans: "Oui" en "Non". Dus hij kon zich al aardig redden. Er waren, wat hem betreft, geen belemmeringen. Ware het niet dat hij in de verkeerde compagnie zat. Maar ach, de creatieven en enthousiastelingen onder ons laten zich door dat soort kleine onbenulligheden des levens niet tegenhouden.

 


Kapitein Luchsinger .
Foto: Rob Luchsinger.

Mag ik mee?

Op een dag eind juni 1964 kwam Leen in de gang van gebouw E, (het gebouw waar wij lagen) ter hoogte van kamer 7 (de kamer van het Lijnpeloton) kapitein Luchsinger tegen. Geheel volgens het militaire protocol meldde Leen zich bij de kapitein en vroeg of hij hem even kon spreken. Dat kon en Leen vroeg hem of hij niet kon worden overgeplaatst naar de C-compagnie, zodat hij mee naar La Courtine kon. Kapitein Luchsinger luisterde aandachtig en beloofde Leen te kijken wat hij kon doen. Een paar dagen later werd Leen zonder veel poespas overgeplaatst naar de C-compagnie. Waar hij zo rond 1 juli 1964 arriveerde. Ongeveer tegelijkertijd kwamen daar ook de nieuwe sergeantjes Jo Debets, Han Verkaart en Ger Vossen aan. Ze hadden nog net een kleine maand de tijd om gewend te raken aan het leven in de parate hap en zich voor te bereiden op hun vertrek naar La Courtine. Leen ging dus, met de nieuw aangekomen sergeanten en de rest van de C-compagnie, mee naar La Courtine. Zijn herinneringen daarover vind je op de pagina: La Courtine 1964.

 


'n Geliefde uitgaansplek in Arnhem.
Foto: Marinus van Schaijk.

Spijkerkwartier en de dagelijkse goede daad

Leen den Boer is van 64-1 en zijn makkers moesten na terugkeer uit La Courtine nog bijna een jaar dienen. Leen zat op de centrale. Piet Toonstra werkte op het lijnencentrum van sergeant Han Verkaart. Leen kon goed met Piet opschieten en vond het een ontzettend toffe gozer. Ze gingen ook vaak samen stappen in de omgeving van het Spijkerkwartier in Arnhem. Op zo’n stap avond zagen ze dat een dame (jullie weten wel: iemand die zich horizontaal staande probeert te houden) door haar beschermer werd afgetuigd. De twee makkers grepen in en redden de dame in kwestie. Iets waar ze zeer dankbaar voor was. Want daarna, elke keer als de dame de soldaten het café zag binnen komen, gaf ze een seintje aan de barkeeper en hadden de mannen vrij drinken.

 

Kwartje meer soldij

Op 1 januari 1965 kwamen de eersten van lichting 64-1 in aanmerking voor bevordering. Piet Toonstra en Leen waren daarbij en werden bevorderd tot soldaat der eerste klasse. Leen mocht dan wel een hekel hebben aan het aannaaien van knopen, het opnaaien van zijn strepen deed hij met veel plezier. Dat ging hem net zo goed af als het plooien strijken in de broeken. Dus dat deed hij dan ook voor anderen. Zo zette hij ook de strepen op van Piet. En twee maanden later was het weer raak, toen de mannen bevorderd werden tot korporaal.

In het verleden sliepen de korporaals altijd gewoon op dezelfde kamer als de rest van de manschappen. Werd iemand bevorderd dan bleef hij gewoon op die kamer. Maar met de lichting 64-1 begon dat langzaam te veranderen. Er werden speciale kamers voor korporaals ingericht en ook in de eetzaal werd voor hen een ruimte afgezet. Aanvankelijk mochten ze nog zelf kiezen tussen verhuizen naar de korporaalskamer of gewoon op de oude kamer blijven. Piet Toonstra had meer op met zijn oude kamergenoten en zag er tegen op om die laatste paar maanden nog met nieuwe makkers om te gaan. Hij bleef dus op de kamer van het Lijnpeloton, terwijl Leen naar de korporaalskamer verhuisde.

 

Eind april/begin mei 1965 was Leen als korporaal van de week toegevoegd aan de Sergeant van de Week. Hij was toen getuige van de muiterij die er in die week ontstond. Met de Sergeant van de Week en nog een paar mensen, stond hij op de Weekkamer. Door het raam hebben zij kunnen kijken naar de muiterij die zich daar buiten langzaam begon te ontwikkelen. Een gebeurtenis die voor een enkeling een drama werd, maar waar we na een paar dagen al niet meer over mochten praten.

 

Op 5 augustus 1965 zwaaide Leen den Boer en met hem zijn lichting 64-1 af. Hij is niet meer op herhaling geweest.

 

Kees Blokker en Leen den Boer, Voerendaal/'s Gravendeel, 29 november 2010. Met bijdragen van John Ernst, Rob Luchsinger, Marinus van Schaijk, Museum van de Verbindingsdienst, Wikipedia.

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.