Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

Tien vingers en een snelle bruine vos

Het leger kende Wapens en Dienstvakken. Wapens waren die onderdelen die echt strijd leverden zoals de infanterie, cavalerie en de artillerie. Maar ook de Verbindingsdienst is een Wapen. We nemen weliswaar niet zelf aan de strijd deel, maar ondersteunen wel de echte Wapens. De Marechaussee bijvoorbeeld vecht ook niet, maar is ook een Wapen. Het is namelijk de politie ten velde. Zoals dat heet.

 

De Verbindingsdienst


 De achtergrond van het embleem van de Verbindingsdienst komt van
het Nassaublauw en wit van de seinvlaggen. Foto: Kees Blokker.

Dienstvakken zijn de ondersteunende onderdelen als de Geneeskundige Dienst, Intendance, Aan- en Afvoertroepen.

De Verbindingsdienst was vroeger een onderdeel van de Genie en werd in 1949 een zelfstandig Wapen. Het motto van de Verbindingsdienst is: “Nuntius Transmittendus” (Het bericht moet door). Dat was onze taak: wij zorgden ervoor dat berichten snel en veilig van de een naar de ander gingen.

In vroegere tijden werd dat bereikt met een flinke toeter en hard schreeuwen. Later werden dat vlag- en rooksignalen. Napoleon was heel creatief en had snel ingezien hoe belangrijk goede verbindingen waren. Hij maakte gebruikt van ordonnansen te paard, die hij tussen zijn commandanten heen en weer liet galopperen.

 

Tijden veranderen. Paarden gebruikten we in onze tijd niet meer. Maar ja, zo kort na de oorlog was er niet veel. Het land lag in puin. Bovendien moesten we ook nog zo nodig een leger uitrusten voor strijd in Nederlands Indië.

Het was armoe troef in het Nederlandse leger. Toen we in 1945/46 begonnen met het opnieuw opbouwen van het Nederlandse leger, werden de eerste instructeurs in Engeland opgeleid. Er werd veel van de Engelsen overgenomen of gebaseerd op het Engelse leger. De paardenharen legergroene uniformen waren zo’n Engelse erfenis. Om ze toch een beetje een Nederlands eigenschap te geven noemde we ze “Eerste Grijs”. Want dat herinnerde ons aan die (afschuwelijke) uniformen die onze jongens voor de oorlog mochten dragen.

 

Geschiedenis


James Clerk Maxwell, 1831-1879.
Grondlegger van de radio.

In 1835 had ene meneer Samuel Morse een naar hem genoemd alfabet in elkaar gezet, waarmee het mogelijk was om over grote afstanden via een draad berichten te verzenden. Er werd een seinsleutel gebruikt om de korte en lange piepjes te produceren en het apparaat werd telegraaf (tele = ver, graaf = schrijven) genoemd.

Er kon steeds maar één bericht tegelijk worden verzonden. Of er moesten meer lijnen getrokken worden. Thomas Alva Edison loste dat op door een apparaat te maken waarmee twee, later vier, berichten tegelijk konden worden verzonden. Een voorloper van onze CF1.

Samuel Morse zorgde er dus voor dat hele generaties jongens maandenlang achter een seinsleutel moesten plaatsnemen om dat  lange strepen en korte punten alfabet onder de knie te krijgen.

Omstreeks 1860 had James Clerk Maxwell ontdekt, dat electro-magnetische golven konden worden uitgezonden. Hij was daarmede de vader van de radio.

Alexander Graham Bell vond in 1876 de telefoon uit en daardoor werd hij de oervader van ons Lijnpeloton.

In 1895 knutselde Guglielmo Marconi een toestel in elkaar dat radiosignalen over een grote afstand draadloos kon verzenden en ontvangen. Het was nu mogelijk om berichten in Morse radiografisch te verzenden.

Alle uitvindingen om een echte Verbindingsdienst op te richten waren er dus: telefonie, radio en telegrafie. Maar het duurde nog een hele tijd voor het zover was.

Het verzorgen van het berichtenverkeer werd eerst ondergebracht bij de Genie. Op 1 mei 1949 werd de Verbindingsdienst een zelfstandig Wapen. Het bruin van de Genie op de kraagspiegels verdween en maakte plaats voor een eigen Wapenkleur: het Nassaublauw en het wit van de seinvlaggen.

 

Spelalfabet

Bij de Verbindingsdienst was het belangrijk dat wij elkaar goed verstonden en begrepen. We gebruikten dan ook een militair spelalfabet. En ook dat was op het Engels/Amerikaanse militaire spelalfabet gebaseerd: Alfa, Bravo, Charlie, Delta, Echo, Foxtrot, Golf, Hotel, India, Juliet, Kilo, Lima, Mike, November, Oscar, Papa, Quebec, Romeo, Sierra, Tango, Uniform, Victor, Whisky, X-ray, Yankee, Zulu.

 

Marshallplan


De legendarische Matchless G3L. Foto: X.

Van de Verenigde Staten kregen wij in het kader van het Marshallplan afgedankt Amerikaans marine materiaal. Dat konden wij mooi voor onze straalzender verbindingen gebruiken: AN/TRC 100 (dat stond voor American Navy Transceiver). Daar konden we een CF1 (telefoon) of een CF2 (telex) op aansluiten en dan beschikten we over maar liefst vier telefoon- of telexkanalen. De Amerikanen waren de beroerdsten niet en deden er ook nog wat randapparatuur bij. Zoals de benodigde antennemasten, wekoverdragers en stroomaggregaten.

Ons leger deed zelf ook nog wat en kocht de Lorenz TT-3015 telex en de Ecolex 4 cryptograaf (vercijferapparaat).

Van de Engelsen namen we de motoren over die onze ordonnansen bereden: De BSA, maar bij ons toch vooral de Matchless G3L.

 

Het VOC

Al die nieuwe uitvindingen maakten dat de Verbindingsdienst over zeer geavanceerde apparatuur beschikte en dat moest bediend worden door goed opgeleid personeel. De Verbindingsdienst beschikte dan ook over een eigen opleidingscentrum: het Verbindingsdienst Opleidings Centrum (VOC) in de Elias Beeckmankazerne en de Simon Stevinkazerne in Ede. Daarnaast was er nog een dependance van het VOC in de Hojel Kazerne in Utrecht. Hier werden de draaggolfbedienaars opgeleid.

De opleidingen in het VOC gingen allemaal volgens het ijzeren militaire principe: oefenen, oefenen en nog eens oefenen.

Telegrafisten werden veroordeeld tot 6 - 8 maanden constant gehamer op een seinsleutel. Net zolang tot alle piepjes zelfs in de slaap konden worden opgedreund. Na afloop van de opleiding moest men tenminste 35 woorden per minuut kunnen seinen of ontvangen. Er waren zelfs telegrafisten die aan de aanslag en het ritme konden bepalen wie er aan de andere kant het bericht verstuurd had.

NN kreeg de telegrafistenopleiding en herinnert zich er dit nog van: "Het was een super saaie zes maandsopleiding! Daa-du-du-daa -..- dag-in, dag-uit werd die morse erin gestamd. Ik heb 't nu soms nog dat 't in m'n kop komt; het zal er wel nooit helemaal uit gaan.

Marconisten waren telegrafisten die konden seinen en opnemen met een hoge snelheid. Ik haalde in die tijd de snelheid en het niveau van een marconist. Een marconist moest je niet verwarren met de lage snelheid van de andere telegrafisten, die verbonden waren aan het leger-onderdeel zelf. Ik kan nog altijd (weliswaar langzaam) seinen, maar opnemen lukt niet meer.

Onlangs waren we met onze kleindochter van acht jaar in het Aviodome van Schiphol. Daar hebben ze ook nog zo'n oude radio met seinsleutel. Mijn zoon had gezegd dat opa dat ook kon en dus moest ik ook even met die seinsleutel aan het werk. Haar mond viel open van verbazing, dat ik al die punten en strepen probleemloos kon intikken. De glinstering in haar twinkelende oogjes voor die prestatie van opa was onbetaalbaar. Had ik eindelijk toch nog iets aan dat afzien van meer dan 45 jaren geleden."

 

Tien vingers


Telexistenopleiding in het VOC in Ede. Foto: LFFD.

Lijnwerkers en centralisten werd geleerd hoe ze een WD-1/TT kabel moesten leggen, aansnijden en aansluiten. Hoe een centrale werkte, hoe je een verbinding tot stand bracht en welke procedures daarbij hoorden.

Berichtenklerken leerden de procedures, de vercijfermethodes en de verschillende classificaties.

Bij het Berichtenkantoor hoorden ook de opleidingen tot telexist. De meeste van deze jongens hadden nog nooit eerder een schrijfmachine gezien, laat staan een telex. Zij maakten een frisse start en leerden hoe ze een bericht op een telex moesten tikken volgens het tien-vinger blind systeem. En warempel, na twee maanden konden ze heel aardig met een telex overweg.

 

Een snelle bruine vos

Bij een schrijfmachine zit elke letter van het toetsenbord via een typstang vast aan een toets. Bij het intikken van de letter A komt er ook een letter A op papier. Dat is anders bij een telex. Dat is een elektronisch apparaat, zonder vaste typstangen. En het intikken van een A op een telex wil nog niet zeggen, dat er ook een A op papier komt. Zeker niet als de telex ontregeld is. En dat zou veel problemen kunnen geven bij het ontcijferen. Om een telex te controleren hanteerde de Verbindingsdienst een pangram. Een pangram is een zin waar elke letter van het alfabet in voorkomt. En om aan te geven dat het geen berichtzin maar een testzin was, werd dat er ook nog even bij gezet. Die testzin was:

TEST. THE QUICK BROWN FOX JUMPS OVER THE LAZY DOG. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 0.

Als we een telex inschakelden, werd eerst even deze zin op de telex getikt. Werd hij op de juiste manier afgedrukt, dan was de telex in orde en konden we hem gebruiken om de berichten op te verzenden.

Hoe vaak de telexisten deze zin wel niet hebben moeten tikken is onbekend, maar het moet in de tienduizenden keren lopen.

De vertaling van die zin: “de snelle bruine vos springt over de luie hond” konden we niet gebruiken. Want daarin ontbraken een hele reut letters.

 

Wereldkampioen telexist


Blind typen, dat was de specialiteit van Lex Bosveld.
Foto: Marinus van Schaijk.

De meeste telexisten maakten in het leger voor het eerst kennis met een telex of een schrijfmachine. Na hun opleiding konden ze wel aardig blind tikken, maar wereldkampioenen werden het nooit. Met uitzondering van één man: Lex Bosveld.

Alexander R. Bosveld zoals hij voluit heet, werd geboren in Arnhem en ook zijn ouders woonden daar. Hij zelf woonde in Den Haag, waar hij werkte op het telegraafkantoor van de toenmalige PTT. Als telexist!

In die tijd was het versturen van een telegram een heel normale zaak en die jongens op het telegraafkantoor waren gewend om met hoge snelheid telegrammen te versturen over de gehele wereld. De maximale afdruksnelheid van een telex was, ik meen 150 letters per minuut. Die PTT telexisten konden makkelijk 200 aanslagen per minuut halen. En dronken in de tussentijd ook nog even een kop koffie. De telex liep dan achter op het ingevoerde aantal aanslagen en stond nog een paar minuten na te rammelen.

Lex Bosveld was ook zo’n razendsnelle jongen op de telex en zou zeker een gouden medaille hebben gehaald als telextypen een Olympische sport was geweest. Hij kon een bericht op een telex tikken, daarna even naar het toilet gaan en als hij terugkwam was de telex net klaar met het door hem ingetikte bericht.

 

Op reis met 49AFDVA

In het verhaal Mata Hari en de Verbindingsdienst kunnen jullie lezen hoe de werkzaamheden van het BK Telex- en Lijnpeloton op het Logistiek verliepen. Gaan we nu eens kijken hoe het Radioschakelpeloton zijn brood moest verdienen.

De meeste wagens van ons Radioschakelpeloton werden in oorlogstijd gedetacheerd bij één van de gevechtsonderdelen waar zij de verbinding voor moesten verzorgen. Bijvoorbeeld bij de 41e Pantserinfanteriebrigade (41Painfbrig) of de 49 Afdeling Veldartillerie (49AFDVA). Ik zelf zat op de schakelwagen S6 (de C37) en wij werden altijd bij laatstgenoemd onderdeel gedetacheerd.

Als die jongens van de 49AFDVA op oefening gingen, mochten wij ook mee om de verbindingen te leggen. Dan kreeg je pas goed een idee waar wij eigenlijk mee bezig waren en waar we het allemaal voor deden.

Zo’n detachement bestond altijd uit twee radioschakelwagens en twee personeelswagens, meestal twee Wep YA126 1-tonners. Eén wagen en de bijbehorende Wep ging werkelijk met de 49AFDVA mee en de anderen kozen als tegenpost positie in het commandocentrum.

 


Bemanning verbindingsdetachement op een 8" Houwitser M115 van
de A-batterij van 49AFDVA. Cor Keet, Evert Meuwissen, Frits Haen,
Ferry Nij Bijvank, Johan Sacré. Foto: Evert Meuwissen.

De mannen van onze wagen waren: postcommandant sergeant Jo Debets, chauffeur Evert Meuwissen, telexisten Lex Bosveld en Johan Sacré, bedienaars van de radioschakelapparatuur Wim Smeltink en ikzelf.

Wij stonden met onze wagen midden in het Logistiek van de 49AFDVA en maakten verbinding met onze tegenpost in het commandocentrum/Logistiek van de 1e Divisie (1DA). In geval van dreiging zoals infiltratie in het kamp, werd er altijd door de 49AFDVA in no-time een stel bewakers om onze wagen gezet. Zodat hun verbindingen extra verdedigd werden.

49AFDVA had ook een eigen Lijnpeloton en een paar centralisten. Deze hadden hun telefoonlijnen op onze schakelwagen aangesloten en op die manier kon hun leiding contact met het commando in 1DA houden.

Een berichtenkantoor met een telex hadden ze niet en ze moesten er echt aan wennen (en aan denken) dat ze hun berichten gewoon bij ons op de wagen aan ons konden afgeven. In plaats daarvan lieten ze meestal hun berichten, zoals schietcoördinaten, via hun eigen motorordonnansen versturen. Lex had dus meestal niets te doen. Dat hadden we vaak sowieso niet. Zat de verbinding er eenmaal in, dan zaten ook wij ons meestal te vervelen. Het omschakelen van het aggregaat om de twee uur, was dan al een hele ontspanning.

 

Oefening juli 1965

Begin juli 1965 waren we eens met 49AFDVA op oefening naar de Lünenburgerheide in Duitsland. De oefening liep van 2 tot 10 juli. Het was de laatste oefening van Jo Debets. Hij hoorde op 8 juli af te zwaaien, maar wilde deze oefening nog meemaken. Op onze tegenpost zat sergeant Appie Aalbers met Jo Coenen, Frits Haen, Cor Keet, Ferry Nij Bijvank en Hans Satter.

We waren al een paar keer verkast. Lex had in al die tijd nog niet één telexbericht hoeven te verzenden. Wel maakten de artilleristen veelvuldig gebruik van de telefoonverbindingen. Dat konden we horen als één van de wekoverdragers begon te pruttelen.

Lex en ik zaten die nacht op dienst. Alleen het zachte zoemen van de ventilatoren in de apparatuur was te horen. Dat was zo monotoon dat we er langzaam bij weg doezelden. Terwijl we zo zaten te knikkebollen, begon opeens de telex te ratelen. We schrokken ons allebei beroerd en begrepen eerst helemaal niet waar dat plotselinge lawaai vandaan kwam. Er verschenen hele lijsten met een enorme hoeveelheid cijfercombinaties op het papier. Het duurde een tijd voor de telex was uitgeraasd. Het was een spoedbericht en aan het eind werd er een ontvangstbevestiging gevraagd. Lex zei: “Kun jij dat bericht even afleveren, dan maak ik de bevestiging”. Ik pakte het bericht van hem aan en ging op weg naar het commandocentrum.

 

Even couleur locale


De deur van zo'n opbouw overdag openen is geen
probleem. Maar doe je de deur open in een
verduisterd kamp, dan gaat de zon schijnen.
Foto: Frits Diks.

Nu moet je nog even het volgende weten: Op zo’n radioschakelwagen was het leven redelijk luxueus. Alles was goed verlicht in de wagen, we hadden verwarming en volop elektriciteit ter beschikking. Verder waren we ook nooit zo nauwkeurig met het tenue. Meestal hadden we gymschoenen aan. De UZI’s lagen boven in één van de rekken. Voor de helm en het gasmasker hadden we ook een plaats gevonden. Alleen wisten we nooit waar die plaats was, als we de helm of het gasmasker nodig hadden. Kortom, militair gezien een Sodom en Gomora. Maar ach, bij de Verbindingsdienst tilden we daar niet zo zwaar aan.

Hoe anders ging het er bij de Artillerie aan toe. Daar was alles militair tip top in model. Die jongens konden zelfs slapen met hun helm op!

 

Let the sun shine in

Dat was de situatie in die nacht dat Lex mij vroeg om even dat telexbericht voor hem af te leveren.

Er totaal niet bij stilstaande dat wij in een oorlogssituatie aan het oefenen waren en het hele kamp gecamoufleerd en verduisterd was, zwaaide ik de deur van de schakelwagen open. Waarmee het kamp opeens vol verlicht werd. Het was net of in een fractie van een seconde de zon was gaan schijnen. Uit het hele kamp hoorde je vloeken en roepen welke schoft dat licht had aangedaan.

Gelukkig had ik snel door dat ik de oorzaak van die commotie was en draaide de deur weer gauw dicht. Ik stapte rap van de trap af en liep in het pikdonker snel een paar meter van de wagen vandaan. In het donker liep ik pardoes tegen een artillerist aan. Ik vroeg aan hem: “Heb jij gezien welke gek dat licht aan deed?”.

Waarop hij zei: ”Nee, maar ik zal hem wel krijgen”.

Ik moest toch nog aan de duisternis wennen, dus hielp ik hem even bij het zoeken. Al zoekende kwamen we langs de commandotent. Ik zei tegen de artillerist: “Hier moet ik zijn”, nam afscheid en ging die tent binnen.

 

Verzameling goud

Dat had ik beter niet kunnen doen. In die tent was alles van 49AFDVA verzameld wat sterren, strepen en gouden balken had. Ze zouden die dag een Honest John raket gaan afvuren (kosten in 1965 40.000 gulden per schot). Er waren zelfs een paar waarnemers van de defensiestaf in vol ornaat aanwezig.


Vandaag gaat 49AFDVA een Honest John afschieten.
Foto: Legerkoerier.

Komt daar toch volkomen argeloos een soldaat van de Verbindingsdienst op gymschoenen binnen lopen. Zonder pet, helm, gasmasker of wapen en alle knopen van het tenue los (ik kon niet eens salueren, want dat mocht niet blootshoofds). Ze keken hun ogen uit. Zoiets kwam in hun Handboek Soldaat niet voor.

Zoveel aandacht van zoveel hoge omes had ik nog nooit gehad. Om de situatie te redden sprong ik in de houding en meldde dat ik een heel belangrijk bericht had. Ik werd door een kapitein ter zijde genomen. Die me vervolgens hardhandig de oren waste over mijn, volgens hem, ongedisciplineerd optreden en ik kreeg even een kordaat lesje in militair tenue. Ik hield het op de belangrijkheid van het bericht en beloofde dat ik de volgende keer beter zou opletten. Ik mocht ongeschonden vertrekken. Terug bij de wagen, vroeg ik voor het naar binnen gaan voor de zekerheid eerst even aan Lex om het licht uit te maken. Want je moet je geluk niet op de proef stellen, is mijn motto.

 

Vanaf dat moment kwamen er meer berichten vanuit 1DA voor 49AFDVA en begonnen zijzelf ook vaker berichten bij Lex aan te bieden. En ze waren niet meer verrast als een Verbindingsman niet helemaal volgens tenue gekleed was.

 

Geen burgers in mijn kamp

Sergeant Jo Debets bracht het kamp op 8 juli helemaal in rep en roer.

Hij was officieel op 8 juli 1965 afgezwaaid. De oefening liep nog door tot 10 juli. En we kwamen pas op 12 juli terug in Nederland.

Jo wilde de hele oefening meemaken. Maar vond dat hij vanaf 8 juli niet meer onder de krijgstucht stond. Hij had speciaal zijn burgerkleding meegenomen. En vanaf 8 juli liep hij in burger rond. Door het bivak van 49AFDVA, nota bene!

Dat veroorzaakte heel wat commotie. Maar Jo was onverstoorbaar en trok zich nergens wat van aan. Tot hij een generaal tegen het lijf liep. Die kon zijn ogen niet geloven: een burger in een zwaar beveiligd kamp. Hij liet Jo direct arresteren. Jo werd verhoord en pas na veel vijven en zessen weer vrijgelaten. De laatste dagen trok Jo schielijk zijn uniform maar weer aan. Het alternatief: een bezoekje aan de Krijgsraad zag hij niet zitten.

 

Bedankt 49AFDVA


Links: Jo Debets in burger als waarnemer bij de schietoefeningen
van 49AFDVA op de Lüneburgerheide. Foto: Kees Blokker.

Leuke dingen meegemaakt met die 49AFDVA. Hoewel ik altijd blij was geen artillerist te zijn. Die jongens hadden het toch een maatje zwaarder dan wij van de Verbindingsdienst.

 

Andere oefeningen

Maar we hadden ook veel andere oefeningen, zoals pelotons-, compagnies-, bataljons- of divisieoefeningen. Daarbij oefenden we het maken van de verbindingen en de verplaatsingen. Bij die oefeningen was het versturen van de berichten niet zo belangrijk. Alleen het maken en het testen van de verbindingen. En meestal werden er dan ook niet veel berichten verzonden. Of alleen berichten die van belang waren voor de eigen leiding van het peloton of compagnie.

Op dat soort oefeningen mochten we, als we daar zin in hadden, zelf berichten maken en verzenden. Dat werd niet zo vaak gedaan. Meestal zaten we in zwemtenue buiten in de zon. En wie gaat dan een bericht liggen bedenken en verzenden?

 

Paul Rybakowski


Paul Rybakowski.

In het voorjaar van 1965 hadden we een bataljonsoefening in Noord-Brabant en Limburg. We hadden al wat verplaatsingen achter de rug. Alles was gesmeerd verlopen. Lex en ik hadden die avond en nacht weer samen dienst. Het was hartstikke rustig. Niets te beleven. Lex had me net een lesje gegeven over THE QUICK BROWN FOX en ik had vol bewondering zitten kijken naar de snelheid waarmee hij de toetsen bespeelde. Er kwam een bericht binnen op de telex. Op onze tegenpost zat Paul Rybakowski als telexist. Paul is van 64-1. Hij woonde ook in Zuid-Limburg. Op weekend hadden we vaak samen gereisd.

Paul vroeg op de telex wat we dat weekend zouden gaan doen. Het bericht was verzonden als een echt militair bericht met koppen, tijden en classificaties zoals het ook in een echt bericht behoorde te zijn. Maar Paul had er een CC bij gezet. Normaal is een bericht bestemd voor één geadresseerde. Met een CC erbij ging dat bericht ook nog eens naar de achter CC genoemde geadresseerde(n).

 

Lesje Telex

Nu kon je een telexbericht op een paar verschillende manieren verzenden.

De eerste en meest voorkomende methode was om een bericht gewoon rechtstreeks op de telex typen. Dat ging dan met dezelfde snelheid als het getikt werd. Maar ook met de fouten die tijdens het typen werden gemaakt. Maakte je een fout, dan kon je niet even terug gaan en dat herstellen. Zo ging dat niet op een telex. Een fout moest gecorrigeerd worden door er achtmaal E E E E E E E E E achter te typen en dan daar weer mee te herbeginnen.

Een andere manier om een telexbericht te verzenden was om een ponsbandje te tikken. Dat kon je in alle rust voorbereiden en tikken en alle eventuele fouten er uit halen. Als het bandje klaar was maakte je verbinding met de tegenpost en zei dat je een bandje wilde verzenden. Vervolgens werd dan dat ponsbandje in het verzendapparaat gelegd, op de startknop gedrukt en hup, daar liep het telexbericht in maximum snelheid naar de geadresseerde.

 

Ga er maar even voor zitten

Dat ponsbandapparaat werd ook gebruikt om berichten te ontvangen, die daarna naar meerdere geadresseerden toe moesten. Bij het ontvangen van het bericht op de telex werd ook gelijk een ponsbandje gemaakt. Dan hoefde je voor elke CC het bericht niet over te typen.

Helaas voor Paul Rybakowski was zijn ponsbandapparaat op die avond dat hij ons dat telexbericht stuurde defect. Lex en ik lazen zijn bericht met zijn vraag over wat wij dat weekend van plan waren te gaan doen. Lex besloot er op te antwoorden met als CC: TO ALL of zoiets. We schreven het bericht op een berichtenblok in een vorm alsof het een gecodeerd bericht was, gaven het een classificatie en een DTZ (Datum en tijd van verzenden) en in een halve minuut had Lex het bericht verzonden.

 

Het bericht kwam binnen op één van de telexen van het BK Telexpeloton. TO ALL betekende dat ze het bericht aan maar liefst acht andere geadresseerden steeds opnieuw moesten overtikken. Met elk bericht dat wij verzonden, hadden zij acht keer zoveel werk.

 

Oefenmogelijkheden


De Lorenz TT-3015 telex met de 16 coupletten van het
Wilhelmus. Foto: Marinus van Schaijk.

Lex en ik ontdekten wat dit een mooie oefenmogelijkheden had en besloten nog wat meer berichten in elkaar te zetten. Ik schreef ze en Lex rammelde ze op de telex. Steeds met als CC TO ALL.

Nu is het bedenken van berichten toch lastiger dan je zo op het eerste moment zou denken. Maar ik had daar wat opgevonden. Ik nam steeds één of twee zinnen uit een gedicht of schoolliedje. Ik noem even wat: “Jantje zag eens pruimen hangen, o als eieren zo groot”, “Waar de blanke top der duinen, schittert in het zonnegloed”, “Voor Moed, Beleid en Trouw”, “Ik val aan, volg mij”. Dat soort teksten. En omdat ik wist dat Paul aan de ontvangende telex zat, dichtte ik er ook ééntje speciaal voor hem: “We Klimmen, Klimmen en Klimmen en vallen hopelijk niet in het Ransdaal” (Paul is uit het dorpje Klimmen-Ransdaal in Zuid-Limburg). En om ook het nationalistische element niet helemaal uit het oog te verliezen, tikte Lex ook nog even alle 16 coupletten van het Wilhelmus. Waar hij iets langer mee bezig was, maar na een minuut of vijf konden ze aan de andere kant hun kennis van het hele Wilhelmus even bijspijkeren.

 

De pleuris breekt los

De telexisten op het Logistiek schrokken zich de pleuris. In plaats van een nachtje lekker onderuit gezakt wegdromen, was het opeens alle hens aan dek voor hen.

Af en toe belden we even naar het Logistiek met een onnozele vraag als: “Hoe is het weer bij jullie?” en hoorden dan de mannen vloeken en de telexen ratelen. We gingen nog even door. Lex vermoedde dat het niet lang meer zou duren. En ja hoor, midden in de nacht, Lex en ik hadden een hele korte pauze ingelast. Plots verscheen er bij ons op de telex een bericht met de code dat het berichtenverkeer tot nader order gestaakt diende te worden. Ik weet niet meer welke code het was. Lex zag het direct. “Die zitten vast” zei hij “maar die zijn nog wel even bezig. We gaan slapen”. De hele nacht en de daarop volgende dag hebben we geen berichten meer ontvangen. De dag daarop werd de oefening afgeblazen.

De eerste week daarna wilden de telexisten van het BK Telexpeloton niet meer met ons praten. Weken later zagen we ergens een afdruk van de 16 coupletten van het Wilhelmus hangen. Iemand had het kennelijk toch op prijs gesteld.

 

Nooit een medaille gehad

Na zijn diensttijd ging Lex terug naar het telegraafkantoor van de PTT in Den Haag. Hij heeft daar nog jaren als telexist gewerkt. Daarna kwam hij bij de semi-overheid terecht en in 2002 is hij in de VUT gegaan. Helaas zonder Olympische medaille.

Met de komst van de telefax werd het telex en telegramverkeer steeds minder. Nadat ook nog het internet en SMS hun intrede deden, was het gedaan met de telegrammen. De telegramdienst, die bijna 150 jaar had bestaan, werd in 2001 door KPN Telecom, de opvolger van de PTT beëindigd. Het verzenden van telegrammen is daarna overgenomen door het bedrijf UTS GmbH. Je kunt nog een telegram verzenden via http://www.telegram.nl. Maar dat gaat niet meer met een telex. Ach, wat is er nog over van die goeie ouwe tijd?

Kees Blokker, Voerendaal, 3 juli 2011. Met bijdragen van Lex Bosveld, Frits Diks, Legerkoerier, LFFD, Charley Knijff, Evert Meuwissen, het Museum van de Verbindingsdienst, Paul Rybakowski, Marinus van Schaijk, Johan Scholten.

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.