Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

MIO inspectie en wacht lopen

Materieel Inspectie Orgaan (MIO) inspectie.

Het Bataljon was in rep en roer. Er was een MIO inspectie in aantocht. Dat betekende dat Generaals van de Generale staf en hun medewerkers een inspectie zouden houden. Alles moest gepoetst en in top conditie worden gebracht. Ik kreeg de opdracht om al het materieel in het Bataljon te controleren op de aanwezigheid van de bijbehorende voorschriften. En of de meest actuele wijzigingen waren aangebracht.

 

Voorschriften inspectie

Een greep uit de enorme hoeveelheid handboeken, technische handleidingen
en formulieren die ik beheerde. Daartoe behoorde ook briefpapier en
 enveloppen. Het Koord van Verdienste was eveneens een Legerformulier. Dit
koord kende iedereen als Het Rode Koord, maar het was nog bekender onder
de naam Het Slijmtouw. Omdat men ervan uitging dat iedereen die het droeg
het door slijmen had gekregen. Toch was men wel jaloers op dragers ervan.
In veel boeken stond nog de oude naam van het Ministerie van Defensie:
Ministerie van Oorlog. Foto: Peter van Balen en Jan van Eerden.

Ik liet in het weekbericht van het Bataljon een bericht opnemen dat er een inspectie zou komen en dat men van te voren bij mij hun voorschriften kon laten controleren en actualiseren.

Enige weken later begon ik met het houden van een inspectie per compagnie. Van elke inspectie maakte ik een rapport en dat werd ook weer in het weekbericht van het Bataljon afgedrukt.

Als laatste kwam de Stafcompagnie van mijzelf aan de beurt. Frits Boendermaker was een bijzonder militair en had lak aan elke papierwinkel. “Ik weet ook zonder voorschriften wel een omgeslagen wagen uit een sloot te takelen en op de weg te zetten”, was zijn commentaar. Dus zijn voorschriften waren niet te vinden of in een prehistorische staat. Om te vermijden dat ik over zijn voorschriften en die van Jack Post opmerkingen in het rapport moest zetten, had ik hun voorschriften zelf al helemaal op orde gemaakt. Als het even kan moet je trammelant met je kamergenoten vermijden. Dat slaapt een stuk rustiger.

 

Iedereen in het rapport

Op de dag van de inspectie schreef ik nauwgezet op van welke militair de voorschriften ontbraken of incompleet waren. En daar werd een rapport van gemaakt. Bovenaan in dat rapport stond onze compagniescommandant. Ik wilde zijn naam uit het rapport houden. Omdat hij de eerste en de enige officier was, die zijn voorschriften niet helemaal op orde had. Frits Boendermaker, zelf helemaal niet brandschoon, was het daar niet mee eens.

De kapitein was een Nederlands Indische persoon en om de een of andere reden had Frits een grote hekel aan de kapitein. Vóórdat de kapitein de CC van de Stafcompagnie werd, was hij (als luitenant) de MTO (Materieel Transport Officier) van het bataljon geweest. Hij was toen onder het personeel bekend onder de naam Tinus Tussengas. Of dat er iets mee te maken had?

“Zet hem maar gewoon bovenaan”, zei Frits “Dan had hij zijn spullen maar in orde moeten houden”. Frits had boter op zijn hoofd, maar helemaal ongelijk had hij niet. Want iedereen had van te voren de gelegenheid gekregen om zijn spullen bij mij op Boekwerken in orde te laten maken. Dus deed ik wat Frits zei en zo stond de kapitein als eerste genoemd in het rapport over de Stafcompagnie.

 

De dag nadat het rapport uitkwam werden ook de lijsten met de nieuwe wachtbeurten opgehangen. En ik stond in die lijsten bovenaan. Ik was razend en zag het als de straf van de CC voor het noemen van zijn naam in mijn rapport.

 

Frits kent de weg

Frits was al wat geroutineerder en zei dat ik het daar niet mee eens moest zijn. Als ik gestraft werd voor het uitbrengen van een rapport, kon ik mijn taak als Beheerder Boekwerken niet naar behoren uitvoeren. “Ga naar luitenant Goverde en zeg dat je het er niet mee eens bent”, zei hij. Luitenant Goverde was mijn hoofd van dienst. Dus de eerstvolgende dag meldde ik me bij hem en legde hem mijn bezwaren uit. Luitenant Goverde begreep het probleem en zou het met de kapitein bespreken.

 

Ik ging terug naar Boekwerken. Een klein uurtje later ging de deur open en kwam de kapitein binnen. Hij vertelde dat hij door luitenant Goverde gebeld was en ter verantwoording was geroepen. Hij verzekerde mij dat mijn wachtbeurt niets met mijn rapport te maken had, maar dat het gewoon mijn beurt was om wacht te lopen. Ik vertelde hem dat het wel verrekte toevallig was om direct na het verschijnen van mijn rapport al op wacht te moeten staan. Hij bezwoer dat er geen verband was. Ik kon er verder weinig meer aan doen. Maar ik heb daarna nooit meer op wacht gestaan bij het 11Vbdbat.

 

Wachtlopen

 

Commandant van Aflossing


De wacht van de O.K.

Als resultaat van mijn inspectie ijver mocht ik dus wachtlopen. Als dienstplichtige had ik éénmaal wacht gelopen en had er, net als elke andere militair, een grote hekel aan. Je moest twee uur ergens staan, mocht wel op en neer lopen, maar verder had je geen enkele afleiding. Tenminste, als er geen onraad was. Iemand die onrechtmatig de kazerne probeerde binnen te dringen, bijvoorbeeld. In dat geval had je echt behoorlijk afleiding. En maar hopen dat de indringer snel zou vertrekken als je hem toeriep: “Halt, wie daar?”. Dat was namelijk de enige verdediging die je had als je op wacht stond. Ja, je had ook een geweer, waar je in noodgeval nog mee zou kunnen meppen. Patronen had je namelijk niet. Na je twee uur wacht, had je dan vier uur vrij. Waarin je met de andere vrije wachten even kon kaarten of slapen op een keiharde houten brits. In totaal was je vierentwintig uur in touw en de volgende dag had je weer gewoon dienst.

Dit keer was ik echter als korporaal de commandant van aflossing (CVA). Dat betekende dat ik steeds om de twee uur met nieuwe wachtposten de oude posten moest gaan aflossen. De oude posten moesten dan de consignes vertellen aan de nieuwe wachten. Vervolgens moest ik die afgeloste jongens weer terug marcheren naar het wachtgebouw. Daar hadden die oude wachten dan vier uur pauze, maar ik moest na twee uur weer met andere jongens een rondje maken en de dan twee uur op wacht staande jongens gaan aflossen. En dat gedurende vierentwintig uur. Van slapen kwam nauwelijks iets terecht. De sergeant van de wacht hoefde maar 12 uur te draaien en kon dan terug naar zijn kamer. En hij had ook nog eens de daarop volgende dag vrij. Ach, de korporaals waren het zgn. hulpkader. Ze waren altijd de klos om de vuile klusjes van het kader op te knappen. En toch vond ik het een eer om CVA te zijn.

 

Aflossing van de wacht


In het wachtlokaal rusten tussen de beurten:
Wim Wolschrijn, Hans Satter, Jan Greten,
Evert Meuwisen, sgt. Piet Vlaar,
Gerard Kuipers, ?, Dicky Huijsmans.
Foto: Wim Wolschrijn.

De wachtbeurt begon om 19.00 uur ’s avonds. Maar voorafgaand daaraan moesten we eerst de oude wachtploeg aflossen en de vlag strijken. Daar was een heel protocol voor. De Officier van Piket (OKP) was de commandant van de wachtploeg en de ploeg van het brandpiket. Hij was ook de commandant tijdens de wachtoverdracht en liet de vlag hijsen en strijken.

De hele oude en nieuwe wachtploeg moesten naast elkaar aantreden. Dan moesten de consignes worden over gegeven en de nieuwe ploeg moest de vlag gaan strijken. Over de luidsprekers klonk dan een of ander trompetsignaal. Hoe het heette weet ik nu niet meer, maar iedere soldaat wist bij dat trompetsignaal dat de vlag gehesen of gestreken werd. Als hij in het zicht van de vlag was, moest hij in de houding gaan staan met het gezicht naar de vlag en gedurende het hijsen of strijken van de vlag de militaire groet brengen. Als dan het trompetsignaal voorbij was, mocht hij zijn bezigheden hervatten. Dat in de houding staan, daar had elke militair een gruwelijke hekel aan. Iedere goede soldaat zorgde er voor, dat hij rondom het tijdstip dat de vlag gehesen of gestreken werd, niet buiten rondliep. Om het kort te zeggen: rondom dat tijdstip probeerde iedereen onzichtbaar te zijn.

 

Foutje? Niet bedankt!

Dat lukte natuurlijk niet door diegenen die aangewezen waren om de vlag te hijsen of te strijken. Hoe graag ze zich op dat moment ook wilden drukken, de vlag moest omhoog of omlaag en zij waren de slachtoffers om dat karweitje uit te voeren. De OKP wees een groep van twee mannen aan. Aangevoerd door de wachtcommandant, ging die groep in gelid richting de vlaggenmast op het exercitieveld. Daar aangekomen gaf de OKP opdracht aan de wachtcommandant en begon het ritueel. Over de luidsprekers klonk het trompetsignaal en één van de mannen haakte de vlag aan de lussen in het vlaggentouw. Daarop begon de ander aan het touw te trekken. De vlag begon zich langzaam te ontplooien en ging de hoogte in. De man die de vlag had vasthouden, moest er nu opletten dat de zich ontplooiende vlag niet de grond ging raken. Zou dat gebeuren en had de OKP dat gezien, dan gebeurden er een paar vervelende dingen.

1. De vlag kon weer naar beneden komen en moest worden verbrand.

2. Een nieuwe vlag moest aanrukken en het hele ritueel moest opnieuw worden uitgevoerd.

3. Diegene die de vlag had laten vallen ging veertien dagen verzwaard achter de wacht.

Meestal ging het goed. Ik heb ook wel eens vernomen, dat op het moment dat de vlag per ongeluk de grond raakte, de OKP iets in zijn ogen had gekregen en hevig in zijn kijkers stond te wrijven. Waardoor hij niets gezien had. Vergeet niet: in zo’n geval moest ook hij op rapport om te verklaren waarom er een nieuwe vlag was gebruikt. En hij kon zijn tijd wel beter gebruiken. Uit dit soort voorvallen is de uitdrukking: “Een oogje dicht knijpen” ontstaan.

 

Slopende klus

Zoals gezegd, meestal ging het goed en na afloop hing dan de vlag vrolijk te wapperen (als er wind was) of droevig naar beneden gericht (als er geen wind was).

Na afloop van het hijsen van de vlag, marcheerde de groep weer terug naar het wachtgebouw en begon voor hen de wachtbeurt. Als CVA ging ik daarna met een groep mannen in gelid naar de eerste af te lossen wachtpost, vandaar naar de tweede, derde enzovoort. Na die eerste ronde kwam ik terug met de afgeloste wachtposten. Voor hen zat het erop. Daarna ging de CVA om de twee uren met een groep langs de posten. En na vierentwintig uur zat het erop. Man wat was dat een opluchting.

Na die beurt in september 1967 heb ik het grote genoegen om Nederland als wachtpost of CVA te mogen dienen, gelukkig nooit meer gehad.

 

Naar AFCENT

Intussen had het leger aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst opdracht gegeven om mijn achtergrond te screenen. Dat hield in dat ze bij mijn oude werkgevers, de buren, de school en bij de overheid nagingen hoe mijn politieke gedachten waren, enzovoort. Zelf kreeg ik ook bezoek van een onderzoeker van de BVD.

Op 1 oktober 1967 werd ik onverwacht definitief overgeplaatst naar de NATO post in Maastricht. Het begin van een onbeschrijfelijk mooie en fantastische tijd. Ik heb daarna nooit meer een appel gehad of een wapen gezien.

Ongeveer een maand na mijn overplaatsing naar Maastricht kreeg ik op het hoofdkwartier van AFCENT een tevredenheidsbetuiging uitgereikt. Tijdens een MIO inspectie in augustus/september 1967 bij het 11Vbdbat in Schaarsbergen was voor het formulier-en voorschriftbeheer het predikaat: “Uitmuntend” toegekend. Alsnog een blijk van waardering voor die paar maanden dat ik de scepter over die afdeling had gezwaaid.

Kees Blokker, Voerendaal, januari 2011. Met bijdragen van Peter van Balen, Jan van Eerden en Wim Wolschrijn.

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.