Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

Memoires van een motor ordonnans, deel 1: 1944 - 1963

 

Zegeningen

Confucius zei het al: Een miljonair telt zijn geld en een gelukkig mens zijn zegeningen. Bij gebrek aan geld, heb ik eens mijn zegeningen geteld en die lagen vooral in mijn herinneringen.

 

Geboorte van een kroonprins

Mijn vader Johan Scholten werd in 1918 geboren, net voor zijn eigen vader in november 1918 aan de gevolgen van de Spaanse griep overleed. In het begin van de Tweede Wereldoorlog ontmoette mijn vader zijn toekomstige vrouw Geertruida (Trui). De twee jonge geliefden trouwden in 1943 en zoals het goede katholieken betaamde werd er rap aan nakomelingen gewerkt. Alras, op maandag 24 januari 1944, werd hun stamhouder en kroonprins geboren: ondergetekende.

Zoals vroeger gebruikelijk, werden kinderen altijd vernoemd naar hun ouders of grootouders en mijn ouders zetten die traditie voort. Ik kreeg de ronkende namen Johannes Timotheus. Met voor algemeen gebruik de naam Johan.

Als gezegd, mijn ouders waren goede katholieken. Want ik kreeg daarna nog zes broertjes én zes zusjes

 

Nijverdalse economie


Meestal lag ik wat voor me uit te dromen.

Om in hun levensonderhoud te voorzien dreef mijn vader in Nijverdal een zaak in, zoals dat heette “Comestibles en Koloniale Waren“. Een kruidenierswarenzaak dus. Nijverdal had in die jaren zo rond de 8000 inwoners. Zowat in elke straat van Nijverdal zat wel een kruidenierszaak. Verder waren er nog de nodige melkboeren en bakkers, die ook een boterham moesten verdienen.

Een kruidenier moest hard werken om aan de kost te komen. De meeste kruideniers waren aangesloten bij één van de vele inkoopcombinaties met namen als: Vivo, Végé, Spar, Kroon of A&O.

In die tijd waren de kruidenierszaken allemaal kleine bedieningszaken met een toonbank in het midden en grote bakken op de achterwand. Die bakken waren gevuld met meel, suiker, witte- en bruine bonen en erwten. Ook koffie en thee was nog niet voorverpakt en moest door de kruidenier uit grote kisten of zakken worden over gepakt en afgewogen in bruine zakken met het gewicht dat de klant die voor de toonbank stond erin wilde hebben.

Er waren maar een paar merken in fabrieksverpakking. Zoals daar was: Driehoek groene zeep in een ronde kartonnen bus. Of een dubbel stuk Sunlight zeep in een vetvrije verpakking (kon in een metalen zeepklopper ook voor de afwas gebruikt worden).

De eerste jaren na mijn geboorte merkte ik van die economische activiteiten van mijn ouders niet veel. Meestal lag ik wat in mijn wiegje voor me uit te dromen, in afwachting van een nieuwe voeding of een badje. Ik bleek een hele goed slaper te zijn: op 22 maart 1945 vond er een Amerikaans bombardement op Nijverdal plaats. Daarbij vonden 72 burgers de dood. Ook ons huis lag in puin. Met de moed der wanhoop begonnen reddingswerkers aan het puinruimen en gingen er van uit dat ook ik bij de slachtoffers zou behoren. Maar toen men mijn bedje onder vier ton puin vandaan had getoverd, troffen ze een snurkende Johan Scholten jr. aan. Tegenwoordig zou dat in de categorie “Wonderen” worden ondergebracht, maar in die oorlogsjaren had men wel wat anders aan het hoofd. Vooral omdat ik direct nadat ze me hadden wakker gemaakt, begon te brullen om mijn flesje Molenaar’s kindermeel (“U dient de melk en het meel goed te roeren, want anders gaan de klonten niet door het gaatje in de speen”).

 

Mensenkennis

In een gezin waarin zoveel monden gevoed moesten worden, is meestal het oudste kind de klos om een handje bij te steken. Een oudste jongen werd ingezet bij het verwerven van de broodnodige pecunia en een oudste meisje kreeg een schort voor en werd gebombardeerd tot keukenhulp. Of werd onbezoldigd kindermeisje en hielp bij de verzorging van het jongere kroost in het gezin.

Ook ik werd al vrij snel ingezet bij het reilen en zeilen van de handel in Comestibles en Koloniale Waren. Zo gauw ik de eerste woordjes kon lezen en de eerste cijfers kon tellen, mocht ik helpen bij het afwegen en vullen van de bruin papieren zakken met bonen, erwten, koffie en thee. Het was goed voor je opvoeding, je kreeg mensenkennis, leerde omgaan met mensen van verschillend kaliber en werd creatief in het vinden van oplossingen. Het hoorde ook bij de wederopbouw van Nederland. Over kinderarbeid werd niet gezeurd, elke beschikbare hand moest worden ingezet om Nederland weer aan de praat te krijgen.

 

Slogans

Immers, direct na de Tweede Wereldoorlog lag Nederland vrijwel helemaal in puin. Luxe kenden we niet. We waren al blij dat we elektrisch licht hadden. De lampenkap was een soort van melkglazen ontbijtbord met een gat in het midden waar de gloeilamp door heen stak. Die “lampenkap” hing in het midden van de kamer of op de overloop en was gevuld met een 60 watts gloeilamp. Die gaf net genoeg licht om niet je nek te breken als je de trap op of af wilde.

Begin jaren vijftig nodigde Philips ons al uit meer van hun lampen te kopen met de leus: “Wie licht spreidt, spreidt gezelligheid”. Wat wij aanvulden met: “Tenzij hij aan een stroomuitval lijdt”. Want de eerste tien jaar na de oorlog was de stroomvoorziening nog niet zo betrouwbaar als vandaag de dag. Regelmatig viel de stroom uit. Elk gezin had dan ook een ruime voorraad kaarsen om in zo’n geval de gezelligheid weer zelf te spreiden.

Nog zo’n slogan uit die tijd die in onze winkel te lezen was: “Vim schuimt en kan niet krassen”. Dat verdoezelde dat die krassen in je mahonie houtenkast door je zelf veroorzaakt waren en niet door het schuurpoeder dat in Vim zat. Of: ”Velpon lijmt alles. En je zit er geen barst van”. Ja, ja…

 

Leerplicht


1962. We gingen er wel kaas en melk bij verkopen.

Je was in die tijd leerplichtig tot je vijftiende en dan had je acht klassen onderwijs gevolgd. Daarna mocht je doorleren als je ouders dat voor je in petto hadden. Of moest je gaan werken. In een gezin met 13 kinderen is er weinig financiële ruimte om alle kinderen te laten doorleren. Er vindt een zogenaamde “natuurlijke selectie” plaats. Bij zo’n uitdrukking denk je meestal dat juist de slimme kinderen mogen doorleren en de anderen gelijk een vak geleerd krijgen. Maar hier betekent “natuurlijke selectie”, dat de oudste kinderen automatisch na de leerplicht van school gaan en gaan werken. En pas later, als er minder kinderen op het gezinsbudget drukken, de overblijvende kinderen bij gebleken geschiktheid mogen doorleren. In een gezin met veel kinderen blijkt opvallend vaak, dat alleen de jongere kinderen mogelijkheden hebben gekregen om zich te ontwikkelen.

Zo was het bij ons dus ook. Ik volgde zes klassen lager onderwijs. Op mijn twaalfde ging ik daarna naar de ULO om de leerplichtige tijd vol te maken. En, hoewel ik eigenlijk nog een paar maanden leerplichtig was, werd ik na twee jaar van de ULO gehaald om te gaan werken in de zaak van mijn vader. Onze winkel werd verbouwd. Door de week moest ik op de bakfiets heel Nijverdal rond fietsen om boodschappen rond te brengen. Op zaterdag stond ik achter de vleessnijmachine.

Als je als kind al zo snel wordt ingezet, gaat je jeugd sneller voorbij en word je sneller volwassen. Je was vroeg wijs zonder het zelf te beseffen.

Ik was waarschijnlijk ook voorzien om de zaak later over te nemen. Ware het niet dat er begin jaren zestig een nieuw soort winkel in Nederland verscheen: de supermarkt. Deze verkochten niet alleen kruidenierswaren, maar ook brood en melk. Producten die vroeger alleen door de bakker en de melkboer werden verkocht. Binnen korte tijd verdwenen duizenden bakkers, melkboeren en kruideniers. Ook in de handel in Koloniale Waren van mijn vader werd het rustiger. We gingen er wel kaas en melk bij verkopen, maar langzaam maar zeker diende zich een nieuwe tijd aan.

Doch daar dachten we nog niet aan, omdat ik eerst nog in dienst moest.

 

Dienstplicht: here I come

Begin 1962 kreeg ik een oproep voor de keuring voor de militaire dienstplicht in de Barakkenkazerne in de Athenestraat in Hengelo. Voor een gezonde jongen als ik toen was (en nog steeds ben) zou het een grote verrassing zijn geweest als ik was afgekeurd. En dat gebeurde dus ook niet: ik werd geschikt bevonden en ingedeeld bij de Verbindingsdienst voor één van de lichtingen van 1963.

Er werd nog wel een poging gedaan om vrijstelling te krijgen wegens onmisbaarheid in de zaak van pa. Maar met nog zes paar jongens- en zes paar meisjeshanden in reserve, bleek ik toch niet onmisbaar genoeg te zijn. Ik was daar, eerlijk gezegd, ook helemaal niet rouwig om.

 

Op vrijersvoeten

Inmiddels was ik 18 jaar geworden en dan beginnen ook de hormonen een beetje op te spelen. Regelmatig bezocht ik met mijn vrienden de dancings (het woord discotheek kenden we nog niet) in de omgeving op zoek naar vrouwelijk schoon van onze gading.

In Nijverdal werden veel zaken liefkozend omgeven met de term “Oale”. Zo had je daar de “Oale Grieze”. Dat was de kerk in het midden van Nijverdal. De “Oale Stroatweg” was de weg naar Wierden en Almelo. Het “Oale Peerd” was, de naam zegt het al, het oude paard van de melkboer. En je had dancing "Oale Schure". Die lag op de hoek van de Grotestraat en De Joncheerelaan. Daar was elk weekend wel wat te beleven voor huwbare jongens van mijn leeftijd. Dus daar waren mijn vrienden en ik regelmatig te vinden.

In een weekend in het begin van 1963 ontmoette ik daar de dame van mijn dromen: Alie Mäkel. Ze was uit Deventer en ze sprak een ander dialect. Wat de ontmoeting nog opwindender maakte. Al snel waren we onafscheidelijk en maakte ik kennis met haar ouders. Haar moeder was een schat van een vrouw. Een vrouw van het type waar ze in Twente van zeggen: “Doa met kon ou een peerd goan jatten” (“Daar kun je een paard mee gaan stelen“). Wat zoveel betekent als: ze is onverwoestbaar betrouwbaar en loyaal en zal je nooit in de steek laten. Dus het klikte heel goed met de moeder van Alie. Met de vader van haar had ik heel wat meer moeite. Hij was iemand met Duitse wortels en dat was zo kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog nog heel gevoelig. Wat hij ook deed, het heeft nooit geklikt tussen ons. Dat hij in zo’n Messerschmitt sigaar-auto reed, maakte het alleen maar erger. Nee, met Alie’s vader klikte het niet zo, maar dat maakte haar moeder meer dan goed.

 

Nieuwe carrière

Begin mei 1963 kreeg ik dan de oproep om de werkelijke dienst te gaan vervullen. Ik moest op woensdag 13 juni 1963 verschijnen in een plaats waar ik tot dan toe nog nooit van had gehoord: Ossendrecht. Maar daarna ben ik die plaatsnaam ook nooit meer vergeten.

Normaliter had ik in Almelo de trein naar Heino en Zwolle moeten nemen. Maar Alie had gezegd dat ze me wel naar de trein wilde brengen. Waardoor het afscheid wat gerekt zou kunnen worden. Dus reisde ik naar Deventer en werd ik door Alie daar op het station op de trein richting Arnhem gezet. Er werd een traantje weggepinkt. En toen zat ik met nog een heel stel jonge knapen met bedrukte gezichten in een volgepakte trein. Op weg naar een nieuwe loopbaan als verdediger van het Nederlandse Volk. Dat beloofde niet veel goeds voor het Nederlandse Volk.

 

Opgeboorde Karabijnen

Van de opleiding in Ossendrecht herinner ik me eigenlijk niet zo veel meer. We werden nog eens lichtelijk gekeurd, we kregen veel spuiten en een militaire uitrusting. De jongens uit Twente vonden elkaar al snel en trokken vaak met elkaar op. Vooral met diegenen die ik ook al op die eerste morgen in de trein naar Ossendrecht had gezien. We maakten er het beste van en gingen regelmatig stappen in Bergen op Zoom, Ossendrecht of Putte. Tussen het stappen door namen we ook nog tijd om wat militaire poespas als exercitie, handgranaten gooien, vijand herkenning, wapenkennis en schieten te leren. Vooral dat laatste was een sensatie. Die M-1 Karabijn schoot toch heel wat lekkerder dan die windbuks van de kermis, waar ik de rozen voor Alie mee had geschoten.

Later ontdekte ik dat die Karabijnen oorspronkelijk afkomstig waren van de Amerikaanse Mariniers. Die dat wapen al sinds 1943 als hun standaard wapen in gebruik hadden. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog waren er nog miljarden .303 patronen overgebleven. En die moesten ook op. Dus had men onze M-1 Karabijnen opgeboord van het oorspronkelijke .30 naar .303 inch. Dat leek niet veel groter, maar de terugslag van die opgeboorde Karabijnen en hun korte lopen was enorm. Als je het wapen bij het schieten niet goed in je schouder drukte was de terugslag genoeg om je schouderbeen te breken of uit de kom te slaan.

 

Zorg dat je erbij komt

Ben jij wel eens een officier tegen gekomen die uit het oosten of het zuiden kwam? Nou ik in elk geval niet. In Ossendrecht vroegen ze vrijwilligers voor de paratroepen. Ik hoorde natuurlijk ook bij die 300 man die zich daar voor aanmeldden. Na alle keuringen bleven we met twee man over. Helaas werd ik niet gekozen. Die andere bleek een zoon van een beroepssergeant te zijn en mocht naar de para‘s. Ik vroeg: “Jullie zijn knettergek. Wie laat er nu 300 man aanrukken om één man uit te zoeken?“.

Toen ging ik naar de Commando’s in Roosendaal. Weer pech, want die werden merendeel opgedoekt. Ik weer terug naar Ossendrecht, want ik wilde dolgraag beroepsmilitair worden. Dus ik dacht: “Laten we de mariniers proberen”. Maar zonder het zo nadrukkelijk te zeggen, maakte men duidelijk dat de voorkeur uitging naar mensen uit het westen van het land.

 

Wilt u eens proeven?

Terwijl ik in Ossendrecht was, ging Alie op een dag naar mijn ouders in Nijverdal om de familie een beetje beter te leren kennen. Het was zaterdag en mijn moeder zei: “Kom op, we gaan naar de markt toe om groente te halen”. Alie en 6 zusjes van 3 tot 12 jaar oud gingen mee. Komen ze bij de groenteboer (een maat van mij die bekend was onder de naam DE BAALE. Hij was een mooi onbenul). Mijn moeder zegt tegen hem: “Hoe zijn die sinasappelen? Laat ze maar eens proeven”. Iedereen kreeg een kwart sinasappel. Mijn moeder zegt: “Ja, deze zijn wel lekker. Geef maar een dozijn“. Zeg de groenteboer: “Ja maar Trui (mijn moeder), jullie hebben net zowat een half dozijn op gegeten“. Alie schaamde zich dood. Alle mensen lachen, want iedereen kent iedereen in Nijverdal.

Alie en mijn zusjes kregen natuurlijk ook een puntzak met patat en mayonaise. Die patatverkoper drukte maar één keer op die mayonaisepomp. Zegt mijn moeder: “Toe maar, het mag wel. Geef nog maar eens gas met die pomp“.

De daarop volgende week kwam ik thuis bij Alie in Deventer. Het eerste dat ze zei: “Ik ga nooit meer met je moeder mee om boodschappen doen“. We zitten er soms nog steeds om te lachen.

 

Waaat? Is die basisopleiding nu al achter de rug?

In Ossendrecht zat ik in een peloton met medische studenten. Als ik het goed heb, werden die na 1 maand de deur weer uitgeschopt. Dat was wel jammer. Je kon wel lachen met die jongens, die de bijnaam Lijkensnijders hadden gekregen.

De eerste twee maanden van die basisopleiding vlogen werkelijk om en toen gingen we naar de vervolgopleiding. Dat viel een beetje tegen, want de jongens waarmee ik de basisopleiding had doorlopen, gingen praktisch allemaal naar een andere opleiding en dus moesten we afscheid van elkaar nemen.

 

Andere kijk

Hoewel ik het toen zelf niet zo in de gaten had, veranderde het gedwongen verblijf in het leger mijn kijk op het leven. Als oudste zoon van een winkelier was ik al jong zelfstandig, maar je kijk op de wereld wordt toch heel sterk door je thuis situatie beïnvloed. Nu maakte ik kennis met andere jongens uit alle delen van Nederland en met allemaal verschillende achtergronden en opleidingsniveaus. Ook mijn scharrelarij  met Alie maakte dat ik anders tegen de dingen begon aan te kijken. Het werd me duidelijk dat na de diensttijd mijn jeugd voorbij zou zijn. En dat Alie en ik samen een toekomst zouden krijgen, waarin waarschijnlijk geen plaats voor Comestibles en Koloniale Waren zou zijn. Mijn dienstplicht en verkering hadden een deur geopend, een blik gegeven op een andere toekomst en dat samen maakte dat de banden met thuis veel losser werden.

 

Volleerd chauffeur


Geslaagden klas van de opleiding motor ordonnans 63-3.

Mijn militaire vervolgopleiding kreeg ik in het Verbindingsdienst Opleidings Centrum (VOC) in de Elias Beeckmankazerne in Ede. Daar werd ik opgeleid tot motorordonnans. We leerden het militaire spelalfabet, de verschillende berichten classificaties, heel veel kaartlezen (want bij het bezorgen van berichten moet je wel weten hoe je je moet oriënteren zonder te verdwalen) en nog zo wat militair theater. En natuurlijk het belangrijkste: motor rijden.

Nu hadden ze in het leger een hele makkelijke manier van lesgeven in auto- en motorrijden: wist je hoe je een voertuig moest starten, dan was je al bijna geslaagd voor het rijbewijs. En als je dan ook nog wist hoe je zo’n voertuig in de versnelling kon zetten, kon je al bijna niet meer zakken. Ik ging met een Jeep rondjes rijden in Arnhem, toen ik daar schadevrij weer uit kwam, had ik al bijna het rijbewijs binnen. Daarna een paar keer crossen op de heide van Ede. Daar leerden we ook hoe we ons moesten uitgraven als we ons in het zand hadden vast gereden. We dachten dat nooit nodig te hebben, maar later bleek die kennis toch van pas te komen.

En vervolgens moest alles hetzelfde nog een keertje gedaan worden met de Matchless motor. Het enige dat je daarna nog moest weten was, hoe je de blauwe en groene kappen op de lampen moest zetten voor het geval je ooit in een colonne moest rijden. Beheerste je dat ook, dan was je een volleerde militaire chauffeur en kon je met een drietonner de weg op. In het burgerleven zou je waarschijnlijk onmiddellijk gearresteerd worden. Dat toonde ook gelijk aan welk een verantwoordelijkheid de dienstplichtige jongens in die tijd op de schouders geschoven kregen. Dit even terzijde.

 

Goed, op 25 september 1963 slaagde ik dus voor mijn Jeep- en mijn motorrijbewijs. Dat zou me in de Parate Hap nog overal brengen. En het mooie was, dat ik die rijbewijzen later kon inwisselen voor een burgerrijbewijs. Dat was mooi meegenomen

 

Klik hier om de Memoires van een motor ordonnans, deel 2 te lezen.

 

Johan Scholten, Robina (Australië), 7 april 2012. Wil je op dit verhaal reageren? Schrijf dan een mailtje rechtstreeks aan Johan Scholten. Hier is zijn e-mailadres: johnscholten44@hotmail.com

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.