Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

 

Memoires van een Berichtenklerk

 

Jong en onoverwinnelijk

Ach, als je jong bent ligt de wereld aan je voeten. Je bent net van school af en begint het toezicht van je ouders een beetje van je af te schudden. De problemen in de wereld pak je met jeugdig enthousiasme aan en dat enthousiasme maakt je eigenlijk onoverwinnelijk. Geen probleem in de wereld of je hebt er wel een oplossing voor. Niemand kan je wat maken.

Tot er een brief van de overheid in de bus valt waarin een verzoek zit om je te melden voor je actieve dienstplicht. Ai, dat deed zeer. Dienst PLICHT!. Verplicht iets doen waar je niet om gevraagd hebt, MOETEN opkomen en omgaan met jongens uit andere delen van het land, van een andere gezindte en met een andere achtergrond. Ja, dat deed zeer. Ook bij mij. Maar achteraf was het de mooiste tijd van je leven.

 

Opkomst en reisroute

Ik was begin 1962 goedgekeurd voor de militaire dienst en ingedeeld bij de Verbindingsdienst lichting 1963-2. De Koude Oorlog was uitgebroken en de sterkte van onze troepenmacht werd opgevoerd. Normaal werden jongens in hun 20ste levensjaar opgeroepen, maar in die periode werden ook al jongens onder de wapens geroepen die nog 19 moesten worden of net 19 waren geworden. Ook ik was de klos. Op 5 maart 1963 werd ik 19 en nauwelijks een maand later, op 3 april, moest ik me melden bij een opleidingsdepot van de Technische Dienst in de Generaal de Bonskazerne in Grave.

Daar stond ik dan op die koude aprilmiddag in 1963 met nog een paar honderd stoere, maar in hun hart onzekere, jongens in die oude kazerne. Ik was al vroeg vertrokken uit mijn woonplaats Schermerhorn in de kop van Noord-Holland. In die tijd waren de verbinding nog niet zo als nu. Niemand had een auto. Alles moest met de bus en de trein. En vooral die bus was een probleem. Die reed maar één keer in de twee, drie uur naar Alkmaar. Vandaar moest ik met een trein die zowat bij elke dikke boom stopte. Overstappen in Amsterdam, Utrecht en Arnhem en daarna naar Nijmegen. Daar stonden militaire vrachtwagens die ons naar Grave reden. Hier werden we ingecheckt en kregen een speech te horen over het voorrecht om voor volk en vaderland te mogen dienen. En er werd benadrukt dat wij vanaf dit moment ook onder de Krijgswetten vielen.

 

Militaire verplaatsing

Daarna gebeurde er een paar uur niets. We begonnen al te denken dat het op déze manier vervullen van de dienstplicht nog helemaal zo slecht niet was. Tot er een militair met veel strepen op een verhoging ging staan en de verzamelde rekruten begon toe te spreken. “Mijn Heren”, zei hij, “er zijn wat foutjes gemaakt. Jullie moeten niet hier zijn, maar in de Legerplaats Ossendrecht”. We waren even perplex, we hadden nog nooit van een Legerplaats Ossendrecht gehoord. Iemand van de aanwezige rekruten vatte moed en zei, dat die fout niet onze schuld was en of dat betekende dat we nu weer naar huis konden gaan? Dat bleek helaas niet te kunnen, want als het Leger een fout maakt dan zet het Leger die fout ook recht. We moesten nog maar even wachten.

Weer een uurtje laten kwam er een serie autobussen voorrijden, waar we met z’n allen in moesten stappen en toen ging de rit naar Ossendrecht. Waar we zo’n beetje midden in de nacht aankwamen. Om de afstand Schermerhorn-Ossendrecht (190 kilometer) af te leggen had ik bijna vierentwintig uur nodig gehad. Eindelijk zat de eerste dienstplichtdag erop en kon ik naar bed. Ik hoopte dat het Leger niet aan de gang zou blijven met dit soort fouten.

 

De basisopleiding

In de daarop volgende twee maanden leerde ik zoveel nieuwe dingen en kreeg zoveel nieuwe indrukken te verwerken dat de basisopleiding in een vloek en een zucht is omgevlogen.

We kregen lessen in militaire omgangsvormen, militaire technieken en tactieken, wapen- en schietles, handgranaat gooien, veel exercitie en lichamelijke trainingen als marsen, veldlopen, hindernisbaan bestormen en kaartlezen.

Dat kaartlezen was nooit weg voor iemand uit Schermerhorn, een plaatsje niet groter dan twee straten die niet eens een naam hadden. De huizen in Schermerhorn waren, niet ongebruikelijk voor die tijd, gewoon voorzien van een letter en een cijfer. Kaarten hadden ze in zo’n kleine gemeenschap niet nodig, want bij ons kon je niet verdwalen.

Van de lessen kaartlezen heb ik dus veel geleerd. Vooral nadat ik bij een dropping op de Ossendrechtse Heide eens compleet verdwaald raakte. Volkomen gedesoriënteerd werd ik úren later door een zoekpatrouille in België teruggevonden. Vanaf dat moment kon ik kaart lezen en een kompas vast houden. En ben ik nooit meer verdwaald.

 

Niet helemaal verloren tijd

De meeste dingen die ik in de basisopleiding leerde kon ik in mijn verdere leven totaal niet gebruiken en die ben ik dan in de loop der jaren als onnodige ballast gewoon weer vergeten. Toch zijn er dingen geweest in die militaire training die mijn denken en handelen bewust of onbewust hebben veranderd. Vooral mijn omgang met mensen werd tijdens mijn dienstplicht gevormd en maakte dat ik makkelijker met andere mensen omging en ik in plotselinge en onverwachte situaties me beter wist te redden. Helemaal verloren was de diensttijd dus niet voor mij.

 

Vervolgopleiding


Blind typen: Dat lukt nooit. Foto: Museum van de Verbindingsdienst

Na twee maanden, zo begin juni 1963, was de basisopleiding afgelopen. We moesten plaats maken voor lichting 63-3 die op 13 juni zou opkomen. Ik werd overgeplaatst naar het VOC, het Verbindingsdienst Opleidings Centrum, in de Elias Beeckmankazerne in Ede. Hier kreeg ik een opleiding tot Berichtenklerk.

Als Berichtenklerk moest ik alles weten van militaire berichtenkwalificaties en coderingen, het vercijferen van die berichten, het militaire spelalfabet beheersen en ik moest kunnen typen. Zo zat ik in de vervolgopleiding twee maanden te rammen op een oude schrijfmachine. Menige soldaat had zijn ergernis over de dienstplicht al op die machine uitgeleefd. Dat kon je zien aan de typestangen, waarvan de meeste zo krom waren dat het een wonder was dat de ingetypte letters ook werkelijk op papier verschenen. We moesten leren typen met het tienvinger blindsysteem. “Dat lukt nooit”, was het eerste dat ik zei. Twee maanden later was ik één van de snelste typeurs van de opleiding. Waaruit bleek dat met militaire precisie en de blik op oneindig het mogelijk is om bergen te verzetten. Zo had ik weer iets geleerd.

 

Niet per ongeluk Berichtenklerk

Mijn grootvader is geboren in 1879. Hij was al vroeg wees en wezen kwamen meestal in een weeshuis terecht. In die jaren mocht je “pas” varen vanaf je veertiende. Op zijn twaalfde ging hij naar de Marineschool in Leiden. En op zijn veertiende (let op dit is dus 1893!) tekende hij een twaalfjarig contract bij de Marine en ging aan boord van een schip naar Nederlands Oost Indië. Waar hij een maand verbleef. Later heeft hij nog een tweede reis daarheen gemaakt en is er toen meer dan een half jaar gebleven.

Mijn opa had een heel mooi handschrift en daardoor kreeg hij de functie van, jawel, schrijver aan boord van het schip.

Door een ongelukje aan boord hield hij iets aan zijn arm over. Met wat simuleren over de ernst daarvan, wist hij na zes jaar onder het Marinecontract uit te komen. Op zijn ontslagbrief stond: niet eervol ontslagen en komt niet voor pensioen in aanmerking.

In de tijd gingen er wel meer van die jochies, want dat waren ze natuurlijk nog, naar de Marine. Daar hadden ze kost en inwoning en een geregeld leven. Voor zover je over een leven kunt spreken, als je zo jong al moet zwoegen als een volwassene.

Met een opa die in een ver verleden al schrijver was op één van Hare Majesteitsoverheidsapparaten, is het niet zo verwonderlijk dat ook ik Berichtenklerk werd. Het zat in de genen om het zo te zeggen.

En daar hield het niet bij op. Mijn later in Amerika geboren zoon was één van de laatste dienstplichtigen. Hij kwam op in 1995/1996 en diende bij de 107LuchtsteunVerbindingsCompagnie (107LustvbdCie) in de Wittenberg in Garderen. Hij was daar chauffeurbedienaar van een HF-EZB radiowagen. Als opa nog geleefd had, hadden we een drie generatiefoto kunnen maken.

 

Schietincident

Wachtlopen was een vervelende, eentonige taak die wij het liefste aan een ander overlieten. Kon je geen goede smoes bedenken om onder die beschermende taak uit te komen, ja, dan was je af en toe de klos om 24 uur lang om de beurt twee uur aan de poort te staan of rond een gebouw te lopen. In mijn tijd waren we nog bewapend met een UZI waarin een magazijn met scherpe patronen zat geklikt. Het wapen stond wel altijd op safe, dus er kon niets gebeuren. Zou je denken.

Na afloop van de wacht moest de voltallige wacht aantreden en werden alle magazijnen uit de UZI’s getrokken. De wachtcommandant inspecteerde vervolgens de wapens van de aangetreden manschappen. Ze moesten de UZI met geopende patroonkamer laten zien zodat hij kon controleren of er wellicht patronen in de kamer waren blijven zitten. Niemand haalde het in zijn hoofd om op wacht een UZI door te halen en een patroon in de kamer te laden. Dus bij die inspecties werd nooit een kogel gevonden. Die controles werden dan ook altijd met een natte vinger gedaan. Dat zou echter niet lang meer duren.

Vlak voor ik naar de Parate Hap zou gaan moest ik nog net even een wachtje draaien op de Beeckman. Na afloop van die 24 uren stonden we allemaal doodmoe aangetreden en hoopten dat de ellende nu snel voorbij zou zijn. Onze wachtcommandant was een dienstplichtige sergeant, ik meen dat hij Joep Bleijerveld heette. Ik denk dat ook hij snel van het wachtgebeuren af wilde zijn. Hij liet ons de magazijnen uit de UZI’s trekken en begon de wapens te inspecteren. Hij verwachtte niet dat hij een patroon zou aantreffen, dus alles ging lekker snel. De één na de ander geïnspecteerde mocht de afsluiter in de UZI weer naar voren laten schuiven. Totdat we plotseling een enorme knal hoorden. In één van de UZI’s was om de één of andere reden een patroon in de kamer terecht gekomen en de sergeant had deze niet gezien. Bij het terugschuiven van de afsluiter was de slagpin in het slaghoedje geslagen en was de kogel afgevuurd. De kogel raakte ‘n vóór de geïnspecteerde soldaat staande makker en was bij hem aan de achterkant de linkerzij in geschoten en aan de voorkant er weer uit gegaan.

De consternatie was enorm, de geraakte soldaat werd in allerijl naar het militaire hospitaal gebracht. Gelukkig bleken er bij hem geen vitale delen geraakt te zijn en herstelde hij redelijk snel.

Ik heb verder nooit meer iets van het incident gehoord. Maar vrij kort na de gebeurtenis werd het verboden om op wacht te staan met een met scherpe munitie geladen UZI. De geladen magazijnen moesten we in de zakken van onze gevechtspakken houden.

En vrij snel daarna was het helemaal verboden om met scherpe munitie op wacht te staan en waren we eigenlijk alleen nog maar bewapend met onze stem: “Hallo! Wie is daar??”.

 

De parate hap of toch niet?


La Courtine 1963. Pieter Los en Johan Brinksma waren de enigen
van de C-Cie die met de B-cie naar La Courtine gingen.

Op 1 augustus 1963 werd ik overgeplaatst naar de C-compagnie van het 11Verbindingsbataljon in de Oranje-Kazerne in Schaarsbergen. Dit zou dus mijn werkterrein voor de komende 14 maanden worden. Maar toch niet helemaal. Direct na aankomst in Schaarsbergen kregen Johan Brinksma uit Langweer in Friesland en ik, de opdracht om ons te melden in een bivak in de buurt van Oirschot. Van waar wij met een transport naar La Courtine zouden gaan.

Johan en ik gingen naar Oirschot in de veronderstelling dat wij ons daar bij een Verbindingsdienstonderdeel moesten melden en dat wij met hen naar La Courtine zouden gaan. Maar in Oirschot werden wij ingedeeld bij een honderdtal herhalers, die helemaal geen Verbindelaars waren, maar infanteristen en artilleristen.

Johan en ik waren nu dan wel “Fillers” en geen “oliebollen” meer, maar onze baret stond nog steeds mooi hoog in de oliebolstand. En nu kwamen we terecht in een groep soldaten, waarvan velen al meer dan zes jaar uit dienst waren. Ons was verteld dat het Leger van iedereen een man zou maken. Deze groep was dus jaren geleden al door het Leger tot man gevormd en ze waren daarna ook echt man en velen zelfs al vader geworden. Die lieten zich door het Leger nauwelijks meer iets voorschrijven. En ze waren van plan om er zes leuke weken van te maken.

En bij zo'n groep kwamen wij terecht! Wij verloren in no-time onze militaire onschuld en de daarop volgende weken zouden we ook onze andere onschuld en naïviteit verliezen. Het werden geweldige weken daar op het plateau van La Courtine in die zomer van 1963.

 

Brandbaar water

Johan en ik waren een keer op oefening met die knapen en we hadden er allebei een geweldig na-dorst aan over gehouden. Johan of ik greep een jerrycan waarop met grote letters “Water” stond. We vulden onze veldfles en drinkbeker en namen allebei een flink slot water. Helaas bleek één of andere Jandoedel die jerrycan ook voor benzine te hebben gebruikt en wij hadden een beker half water, half benzine naar binnen gewerkt. Korte tijd later kregen wij alle beiden hevig buikkrampen. We werden met een Jeep met spoed naar het ziekenhuis van Clermont-Ferrand afgevoerd, waar ze met nog grotere spoed onze magen leegpompten. Ik heb daarna tijdens mijn diensttijd nooit meer een slok water gedronken zonder er eerst aan te snuffelen.

 

Lekker

Als we vrij waren gingen Johan en ik altijd met die herhalers La Courtine in om de buitengewoon interessante Franse wereld te verkennen, maar vooral om eens flink door te zakken. Dat kon ook makkelijk. We dronken daar meestal Vin Blanc au Citron. Dat was een hele goedkope witte wijn waaraan een scheutje citroen limonadesiroop was toegevoegd. Het resultaat was een heerlijk zoet spul waar je liters van achterover kon slaan. Dachten we. Want kwam je eenmaal buiten die kroeg dan was het net of je kop een trap van een paard kreeg. Zo hard sloeg dat spul toe. Ik ben zelfs één keer van het dorp La Courtine naar beneden rollend terug naar het Camp gegaan. Man, wat kon je van dat zoete spul ziek worden.

 

Ben ik iemand vergeten?

Zo rond 9 oktober 1963 waren Johan en ik weer terug bij de C-compagnie in Schaarbergen en begon ook voor ons het normale militaire leven van een parate dienstplichtige soldaat. En maakten we voor het eerst kennis met onze dienstmaten van het BK Telexpeloton. Dat peloton stond op dat moment nog onder leiding van vaandrig Willem Rijksen, die als ik me goed herinner, door ons werd opgesierd met de naam vaandrig Lambiek. Een sympathieke peer waar we allemaal goed mee uit de voeten konden. Andere beroepsmensen die ik me uit die tijd nog herinner waren sergeant 1 Bouvrie (ik meen dat hij foerier was), sergeant Peter de Pijper uit Den Helder en sergeant Theo Looman uit Alkmaar. En dienstplichtigen die me altijd zijn bijgebleven waren een korporaal Nagel (hij zwaaide niet veel later af), Willem van Hees uit Odiliapeel in Oost-Brabant, ene Johan Engels of Engelkamp uit Den Haag, de Jong uit Rotterdam, Popken uit Drente, ene Koene of Koenders, een hele lange jongen uit Grootenbroek bij Enkhuizen, een jongen uit Spakenburg (hij liep altijd met een bijbeltje rond), een jongen uit Limburg die voor ons altijd koffie maakte op het MOB (hij noemde mij altijd Sientje: van Sientje laat me LOS) en natuurlijk mijn maten Ad Schumer uit Almelo en de al genoemde Johan Brinksma, waarmee ik naar La Courtine ben geweest.

 

Wereldberoemd

Bij de Verbindingsdienst kwam je de meest interessante mensen tegen. Je trof er schoolmeesters, elektriciens en beroemde sportmensen als de judoka Peter Snijders en atletiekkampioen Johan Engelhart. Maar ook andere beroemde mensen. Zo zat er in mijn tijd bij de A- of de B-compagnie het duo Ruud en Riem de Wolf die wereldberoemd waren onder de naam “The Blue Diamonds”. Zij hadden net een wereldhit gehad met de song Ramona en later met Little Ship. Ja, bij ons was altijd wel wat te beleven.

 

Uitgaan met rode oren

Als Berichtenklerk had je tussen de oefeningen door geen bal te doen. Chauffeurs, radiotelegrafisten, telexisten en al die andere jongens konden dan nog bezig zijn met het onderhoud aan hun apparatuur of het voor de zoveelste keer overschilderen van de auto, maar wij Berichtenklerken hadden dat allemaal niet. We hielden ons dan ook meestal bezig met koffiedrinken, die door een Limburger in ons peloton altijd met veel liefde op een primusstel gezet was.

In de bioscoop van de Oranje-Kazerne werden meestal hele leuke films gedraaid. Was die er niet, dan waren we ‘s avonds vooral te vinden in de kantine van de OK. Als we niet te veel geld hadden waren ook het PMT op de hoek van de Deelenseweg en het KMT aan de Koningsweg favoriete plekjes.

Op betaaldagen wilde het nog wel eens gebeuren dat we met deze of gene naar Arnhem trokken. Er was daar een gebied dat soldaten leek aan te trekken zoals een magneet ijzer aantrekt: het Spijkerkwartier. Daar waren de lampjes rood en de kroegen opwindend. Als je er al niet heen ging met rode oren, kwam je wel met rode oren thuis. Ja, het soldatenleven was nog niet zo slecht. Als je wilde kon je er van alles leren.

 

Dallas


22 november 1963. Foto genomen vlak vóór de
moord op de Amerikaanse president Kennedy.
Foto: Wikipedia.

De avond van 22 november 1963 ben ik ook nooit vergeten. Op die dag werd in Dallas, Texas, om 19.30 uur onze tijd John F. Kennedy de president van de Verenigde Staten door Lee Harvey Oswald vermoord. Er ging een schok door de hele wereld. Iedereen dacht dat de Russen hier achter zaten en het leger werd in verhoogde staat van paraatheid gebracht. We waren er allemaal van overtuigd dat de Derde Wereldoorlog op uitbreken stond. Alle manschappen werden op de kamer geconsigneerd en we begonnen met het bij elkaar zoeken van de alarmuitrusting. De stemming was behoorlijk bedrukt en we hielden allemaal ons hart vast over wat volgen zou. Gelukkig bleek al snel dat de Russen niet achter de moord zaten en toen ontspanden we allemaal heel snel.

 

Tijden zijn veranderd

In die tijd rustte er nog een enorm taboe op homoseksualiteit. Het bestond gewoon niet. Ik had er wel van gehoord. Ik had begrepen dat het leger iedereen met een homoseksuele geaardheid automatisch probeerde op te sporen en met S5 af te keuren. Bij de kleine herkeuring aan het begin van de basisopleiding was er nog speciaal naar gekeken, zonder dat we dat wisten. Dus we kwamen het op de kazerne ook niet tegen.

Op een avond tegen het eind van 1963 kroop op de kamer tegenover onze kamer een soldaat bij een andere soldaat onder de dekens. Kennelijk was de tweede soldaat daar niet zo van gediend, want het veroorzaakte een enorme sensatie. De eerste soldaat werd in de boeien geslagen en afgevoerd. Ik heb hem nooit meer terug gezien.

Ik heb me wel al die jaren afgevraagd hoe het mogelijk was dat deze jongen niet eerder door de mand was gevallen. Bij de lichte herkeuring in de basis werd er speciaal opgelet. Dus het is een raadsel dat die jongen dat al die tijd verborgen heeft kunnen houden.

Het leger schijnt nu wel heel anders aan te kijken tegen iemand met een dergelijke geaardheid.

 

Krakers


Kelneren in het officiershotel. Maar de mannen lustten zelf
ook wel een pilsje op de kamer.

We waren eens op een oefening in de barre winter van 1963/1964. De meeste jongens hadden geluk en konden in een schakelwagen of een Wep één tonner slapen. Maar wij van het Berichtenkantoor hadden die luxe niet. Dus moesten wij in onze pubtentjes op de grond slapen. Het was bar koud en Johan Brinksma en ik zagen het echt niet zitten om in die kou aan de grond vast te vriezen. Het bivak was in de buurt van een camping en daar stonden nogal wat zomerhuisjes leeg te wachten op de terugkeer van hun eigenaren. Onbewoonde woningen die geschikt zijn voor bewoning werden later volop gekraakt. In de winter van 1963/64 liepen wij voorop en kraakten alvast een zomerhuisje. En hebben er de rest van de oefening heerlijk geslapen.

 

Amateurkelner

Ik heb ook een paar keer “gewerkt” als ober (of iets wat daarvoor moest doorgaan), in het Oranje-Hotel. Zo noemde wij het officiershotel, net buiten de kazerne in de richting van Arnhem. Als de officieren een feestje hadden, hadden ze meer personeel nodig, vaak werden er dan vrijwilligers gevraagd. Als die er niet genoeg waren, werden gewoon vrijwilligers aangewezen. Ik er dus ook een paar keer naar toe. Voor ons soldaten was het heel interessant om je te vergapen aan de luxe waarmee die officieren hun feesten hielden. Hun dames waren altijd tot in de puntjes gekleed. Ik had ook vaak het gevoel dat de ene dame niet voor de ander wilde onderdoen en nog mooier voor de dag kwam om de blitz te maken.

Ik kreeg een wit jasje aan. Omdat men niet veel vertrouwen had in mijn bedienkunsten mocht ik meestal alleen maar de lege glazen ophalen. Ook een belangrijke taak. Soms kreeg je een fooi en dat was mooi meegenomen.

 

Begrafenis met een omweg

Begin juli 1964 overleed mijn grootmoeder. Mijn vader belde met de kazerne om dit te melden. Hij werd doorverbonden met kapitein Luchsinger, die behoorlijk in de problemen kwam. De compagnie stond op het punt om een paar dagen op oefening in Zuid-Limburg te gaan en hij kon geen mensen missen. Kapitein Luchsinger besloot dat ik mee moest op oefening en de dag voor de begrafenis naar huis zou mogen. Zo werd ik een dag of twee na het begin van de oefening met een Jeep op het station van Maastricht afgezet. Tegen de avond kwam ik in Schermerhorn aan en was de dag later getuige van de begrafenis van mijn oma.

 

Initiatief niet beloond

Op het MOB hadden we van die grote loodsen waar onze wagens in stonden. Op een dag moesten we de loods schoon vegen. De Telexwagen moest een paar meter verplaatst worden om ook onder de wagen te kunnen vegen. Ik had geen militair rijbewijs en de chauffeur van onze Telexwagen was in geen velden of wegen te bekennen. Ik was in het bezit van de burgerrijbewijzen BCDE. Voor ik in dienst kwam reed ik al meer dan een half jaar met een vrachtwagen in het bedrijf van mijn vader en ik zag er dan ook geen probleem in om even die Telexwagen te verplaatsen. Ik organiseerde een massapik om de DAF te kunnen starten, schoof achter het stuur, startte de wagen en reed hem drie meter vooruit. Het zat me niet mee, die dag. Op dat moment kwam sergeant Henk Olden langs. Hij was de MTOO, de Materieel Transport Onder Officier van het MOB. Of hij een slechte dag had of dat we mekaar niet lagen, ik weet het niet meer. Olden slingerde me op rapport wegens het rijden van een militair voertuig zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs. Kapitein Luchsinger had zijn dag kennelijk ook niet, hij maakte er meteen veertien dagen streng van en zo vierde ik mijn twintigste verjaardag op 5 maart 1964 in de streng gestraften cellen van de OK.

 

Kerfstok

Aan het einde van mijn militaire loopbaan vermeldde mijn militaire kerfstok, naast die veertien dag streng, nog een totaal van 28 dagen licht of verzwaard arrest. Die dagen waren een beloning voor diverse ontplooide activiteiten. O.a. wildplassen en het missen van een appel. We waren met een paar jongens van de kamer naar het carnaval in Nijmegen gegaan. In het feestgedruis was ik mijn maten uit het oog verloren en zo mistte ik de laatste trein naar Arnhem. Die van Nijmegen zijn hele vriendelijke lui, want een stel complete vreemden zeiden dat ik wel met hen mee kon gaan. Ik sliep bij die mensen in de voorkamer op de grond. De dame zette een ontbijt voor mij klaar en zei "Eet dat morgenvroeg maar lekker op. En als je weggaat, trek dan de deur maar gewoon achter je dicht". Ik naar het station om de eerste trein naar Arnhem te nemen. Ik werd gespot door een overijverige luitenant van de Verbindingsdienst die waarschijnlijk zo nodig zijn sterren wilde verdienen en mij op rapport slingerde. Veertien dagen verzwaard leverde mij dat uitstapje op.

 

Tekenen of niet?


Een grootverlof pas, die kreeg je alleen als je tekende dat je
gezond de dienst verliet.

Op een dag moesten we onze gasmaskers testen in de gaskamers op de Galgenberg. We werden er met een Dikke Daf heen gebracht. In de Daf stonden ook nog een aantal kisten met alle mogelijke spullen die ze bij de gasmaskertesten gebruikt hadden.

Chauffeur van de Daf was ene soldaat Snoek of zoiets. Het had geregend en de weg moet nog al glad zijn geweest. Of Snoek reed te hard. Hoe het ook zij, op de terugweg raakte de Daf in een slip en belandde op zijn zijkant tegen een stel bomen in het bos van de Galgenberg. Ik kwam met mijn been vast te zitten tussen een paar van die kisten. Na veel trekken en duwen lukte het de omstanders om mij te bevrijden. Ik werd ter observatie opgenomen in het ziekenzaaltje boven de wacht. Een paar dagen later werd ik al weer ontslagen, maar ik heb jarenlang last gehad van het ongeluk.

Op de afzwaaidag moesten we een verklaring ondertekenen dat wij geen gebreken hadden opgelopen in het leger. Niemand dacht er bij na, je wilde gewoon weg, dus iedereen zette zijn handtekening onder die verklaring. Ik ook. En hoewel ik nog jaren last heb gehad van het ongeluk aan mijn been, had ik door het ondertekenen van die verklaring bij Defensie geen poot meer om op te staan.

 

Diensttijd te lang en toch te kort

Eind juli 1964 ging ik nog een keer met de C-Cie naar La Courtine. Voor Johan Brinksma en mij was het al oude koek, maar die andere jongens van de compagnie keken hun ogen uit. Ik weet niet eens meer of ik wel de hele tijd met de compagnie in La Courtine ben gebleven. Lichting 63-3 zou op 24 september afzwaaien en de C-Cie was toen nog niet uit Frankrijk vertrokken. Hoe het ook zij, onmiddellijk na mijn terugkeer zwaaide ik af. Ik geloof niet eens dat ik na terugkeer nog één nacht op de OK heb geslapen. Op donderdag 24 september 1964 zwaaide ik dan na 17 maanden en drie weken actieve dienst af. Ik ging met klein verlof tot mijn groot verlof op 3 februari 1965. Het zat er op.

Ik was op dat moment, net als iedereen, blij dat ik weer aan mijn loopbaan in het gewone leven kon beginnen. Maar jaren later had ik toch hevige spijt dat ik met klein verlof was gegaan en dat klein verlof niet had uitgediend. Iets wat wel had gekund.

Ik ben namelijk in 1967 naar de Verenigde Staten geëmigreerd. De VS was inmiddels betrokken bij de oorlog in Vietnam en riep veel dienstplichtigen onder de wapens. Ook ik kreeg een indeling als dienstplichtige. Aanvankelijk dacht ik dat het allemaal wel mee zou vallen. Maar toen gaandeweg de berichten over de vele doden en ernstige gewonden toenamen, begon ik er steeds meer tegen op te zien. Als ik een verklaring kon overleggen dat ik mijn dienstplicht al bij een, voor de Amerikanen, vriendelijke mogendheid had voltooid, kon ik vrijstelling krijgen. Ik stuurde in 1969 een verzoek voor zo’n verklaring naar het Nederlandse Consulaat in Chicago. Een paar weken later kreeg ik een brief van het Consulaat. Zo’n verklaring kon alleen worden afgegeven als er sprake was van ten minste 18 maanden actieve dienst. En daar ik van 3 april 1963 tot 24 september 1964 maar 17 maanden en drie weken in dienst was geweest, kreeg ik die verklaring niet. Wat had ik een spijt dat ik niet tot 3 februari 1965 in dienst was gebleven.

Het zag er dus naar uit dat ik opnieuw voor de dienstplicht, maar nu de Amerikaanse, zou worden opgeroepen. Zover is het gelukkig niet gekomen. Ik wist de oproep voor de dienst een beetje te rekken tot 5 maart 1970. Toen werd ik 26 en met 26 hoefde je niet meer Nam, zoals de Amerikanen Vietnam noemden. Ik werd ingedeeld bij de Nationale Reserve en daar mee hield het op.

 

Stichting van de Los Dynastie

Begin 1972 was ik voor een tiendaagse vakantie terug in Nederland. Tijdens die vakantie ontmoette ik Truus. Zij kwam in september van dat jaar voor een vakantie van drie weken naar Detroit. We kochten gelijk een huis in een verre buitenwijk. Net voor kerst 1972 kwam ik terug naar Nederland om te trouwen. Op 9 januari 1973 zijn we toen samen terug gegaan naar ons huis aan Lake Orion in Michigan. In 1975 waren mijn ouders 50 jaar getrouwd en gingen we hen bezoeken. We hadden intussen een zoon. Truus kon maar niet wennen aan de American Way of Life en bleef met onze zoon in Nederland. Ik ben toen nog een paar keer naar Amerika geweest om de zaak af te werken en het huis te verkopen. In die tijd was ook daar de huizenmarkt zeer slecht en duurde dat verkopen langer dan verwacht. Maar anderhalf jaar later was ook ik definitief terug in Nederland. We kregen daarna nog twee kinderen. Sinds 1976 wonen we in Heerhugowaard waar we al die jaren al wonen en waar ik ook al die jaren al een zaak in Volkswagen en Audi Old-Timer onderdelen heb.

 

 

Pieter Los. Heerhugowaard, 26 juni 2012.

 

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.