Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

De Dokter, m'n Opa en ik

 

Napoleon

Gezondheidszorg voor militairen heeft nooit hoog op het lijstje van de militaire gezaghebbers gestaan. Napoleon Bonaparte zag in dat er verzorging moest komen voor gewonde soldaten. Dat was geen wonder: hij voerde zoveel oorlogen, dat hij elke soldaat goed kon gebruiken. Niet alleen om de soldaten in leven te houden, maar vooral ook om hen te motiveren. Immers: een soldaat die weet dat hij verzorgd wordt als hij gewond raakt, is gemotiveerder dan iemand die aan zijn lot wordt overgelaten. Napoleon verbeterde de gezondheidszorg voor zijn soldaten. En om te zorgen dat hij altijd soldaten genoeg had, vond hij en passant ook nog even de dienstplicht uit en voerde die in. Je weet dus nu waar we dit alles aan te danken hebben.

 

Rode Kruis en de Dame met de Lamp


Grondlegger van het Rode
Kruis: Henri Dunant.
Foto's: Wikipedia.


Lady with the Lamp. Grondlegster
van de ziekenverzorging:
Florence Nightingale.

Maar de hulp aan gewonde soldaten bleef toch nog vaak achterwege. In 1859 was de Zwitserse zakenman Henri Dunant getuige van een veldslag tussen de Oostenrijkers en Fransen in de slag om Solferino. Hij zag dat gewonde soldaten totaal aan hun lot werden overgelaten. Hij ijverde voor het oprichten van een organisatie die zich bezig zou houden met het verzorgen van de gewonden. Zonder onderscheid tussen de nationaliteiten van die gewonden. En hij richtte die organisatie ook zelf op: het Rode Kruis.

Kort daarvóór was de Engelse Florence Nightingale begonnen met het verzorgen van de gewonden tijdens de Krimoorlog (1853-1856) en zij legde de basis voor de geneeskundige verzorging van zieken en gewonden in vredes- én in oorlogstijd.

Aan deze twee mensen hebben we het eigenlijk te danken dat gewonde soldaten verpleegd en afgevoerd worden van het slagveld.

 

Hospik?

De Militair Geneeskundige Dienst (MGD) is daar speciaal voor opgericht. Zij beschikt over speciale voertuigen en opgeleide soldaten die wij hospikken noemen. In 1964 werd mij verteld, dat dat een samentrekking was van de woorden hospitaal pik. En er werd bij verteld, "Zeg dat maar niet waar ze bij staan".

Inmiddels is "hospik" een volkomen ingeburgerde aanduiding voor al het medisch en verpleegkundig personeel van de MGD.

 


Baretembleem van de Geneeskundige Troepen.
Het motto is ‘Eripiendo Victoriae Prosum’ wat
staat voor: ‘Al helpende dien ik de overwinning.’
Foto: Wikipedia.

Ook wij zelf kregen een korte training om jezelf of gewonde makkers te kunnen verzorgen. In de basisopleiding kregen we instructiefilms en lessen in EHAF. We oefenden in het afbinden van een slagaderlijke bloeding door het aanleggen van een tourniquet, het reanimeren van gewonden en het zetten van een atropinespuit. In elke PSU zat een pakje waarop stond: Noodverband. Het was buitengewoon groot. Zo kon je je alvast voorstellen hoe groot de wonden in oorlogstijd wel kunnen worden.

 

In vredestijd is de MGD verantwoordelijk voor de gezondheidszorg in het leger. Zij zijn, zeg maar, de huisartsen van het leger.

Bij het 11Vbdbat zaten ook een dokter en, ik meen, twee hospikken. Dit waren geen Verbindingsdienstmannen, maar door de Geneeskundige Dienst bij onze Staf- en Staf- Verzorgingscompagnie (niet verwarren met het Staf- en verzorgingspeloton van onze eigen C-compagnie) gedetacheerd personeel. Zij droegen ook de emblemen en onderscheidingen van de Geneeskundige Dienst. Begin 1966 was Willy Uffing één van de hospikken. De dokter was een dienstplichtige tweede luitenant, die net was afgestudeerd als arts.

 

Ziekenrapport en de medische zorg van Defensie

Elke morgen was er ziekenrapport. Zieke soldaten moesten zich melden op het ziekenrapport. Dit werd elke morgen gehouden in kamer 16 in het naast ons liggende gebouw D van de Oranje-Kazerne.

Je kon je daar melden en op de gang zat iedereen dan te wachten op zijn beurt. De dokter had twee hospikken als assistent. Die hielden zich bezig met het alvast opnemen van bloeddruk en temperatuur. En zij gaven de eventuele injecties of zij prikten blaren door.

Als je te ziek was om het ziekenrapport te bezoeken, kwam de dokter je op de kamer opzoeken. Of je werd overgebracht naar een ziekenzaaltje op de eerste etage in het gebouw bij de wacht. Daar zat óók een ziekenpost. In die post werden de zwaardere ziekte gevallen behandeld. Waar de dienstplichtige arts geen raad mee wist of hij geen middelen voor had.

Deze ziekenpost werd bevolkt door een beroepsmilitair arts. Hij had de assistentie van meerdere geneeskundige beroepsmilitairen, beroepshospikken dus. Een sergeant-majoor en meerdere onderofficieren.

En kwam deze post er ook niet uit, of beschikten ze niet over de juiste middelen, dan was er nog een militair hospitaal in Arnhem. En niet te vergeten het centrale militaire hospitaal Oog-In-Al in Utrecht. Waar men over vrijwel alle medische kennis en hulp beschikte.

En zou dat nóg niet voldoende zijn, dan had Defensie nog contracten met civiele professoren en experts.

Lichte ziektegevallen werden dus op het eigen Bataljon behandeld, zwaardere gevallen in de ziekenpost vooraan bij de wacht. En was je een nog zwaarder geval, dan ging je met een ambulance naar Arnhem of Utrecht. Zoals Dré van Gerven meemaakte toen hij uit een MUNGA viel en darbij een gecompliceerde beenbreuk opliep.

 

De Dokter

Zoals gezegd waren de meeste artsen dienstplichtige luitenants die net afgestudeerd waren. We hebben al kennis gemaakt met deze beroepsgroep. Toen ze hun basisopleiding deden en we ze de Pathologen noemden (zie: Het bijzondere van lichting 64-3). Maar nu waren ze afgestudeerd. Ze hadden hun bul en waren gekwalificeerd, maar nog niet helemaal geroutineerd. En voor hen was de diensttijd een mooie stage. Waar ze nog heel veel ervaring in konden opdoen. Zoals ik zelf letterlijk aan den lijve zou ondervinden.

 

M'n Opa


Mag ik even voorstellen? Dit is mijn Pake. Hij is niet
in dienst geweest, dat kun je zo zien. Foto: Olfo.

Mij opa (Pake noemen ze dat in Friesland) was aannemer in een klein Fries dorpje. In zo'n dorpje met vijf-zeshonderd inwoners deed hij alles wat er bij een aannemer zo voorbij komt: af en toe een waterpomp slaan, de nodige verbouwinkjes en een paar huisjes per jaar. Mijn opa was de fijnste opa die er bestond. Je kon wat met hem lachen. Als hij zijn visfuiken ging legen, was dat een feest. Want daarna gingen we ook naar de kroeg en dan kreeg ik een flesje Fosco (chocolademelk). Geweldig!

 

En ik

Mijn opa had maar één probleem. Daar kon hij niets aan doen. Dat zat ook al in de familie toen hijzelf geboren werd: ‘n welige wratten- en moedervlekken cultuur. En als echte kleinzoon van mijn opa had ik die dus ook.

De wratjes die op je vingers in de huidplooien zaten, konden je veel last bezorgen. Ook de wratjes die je niet zag, konden problemen opleveren. Ik had een heel regiment wratachtige moedervlekken verspreid over lijf en ledematen.

Op een dag ergens in april/mei 1965 hadden we op de kamer wat gestoeid en daarbij had de mede-stoeier mij met mijn rug tegen een muur gedrukt. Ik had in eerste instantie niets gemerkt. De volgende morgen zag Evert Meuwissen op de rug van mijn onderhemd een enorme bloedvlek. We konden geen oorzaak vinden, dus ging ik op ziekenrapport.

 

Daar doen we wat aan

De dienstdoende dienstplichtige arts stelde vast dat ik maar liefst twee-en-dertig min of meer grotere wratachtige uitbouwsels op mijn lijf had. Één daarvan zat precies midden op een ruggenwervel. Deze was tijdens het stoeien opengesprongen. En had die enorme bloedvlek tot gevolg gehad.

De dokter zag zijn kans schoon om zijn operatietechniek te oefenen en stelde voor om die moedervlek en nog een serie van die andere éénendertig te verwijderen. Dan konden ze in elk geval niet meer gaan bloeden.

 

Kennis maken

En zo gebeurde dat ik me op een vrijdagmiddag meldde in de ziekenboeg vooraan bij de poort.

De dokter kreeg assistentie van een beroepsverpleger, een sergeant-majoor die de voorbereidingen trof. Het zal rond half twee zijn geweest. Ik lag op een operatietafel en de majoor begon de wratten in te spuiten om ze plaatselijk te verdoven.

Twintig minuten later kwam de dokter en hij begon één voor één de wratten met een scherp scalpel te verwijderen en de ontstane wond dicht te naaien. De sergeant-majoor assisteerde en reikte de benodigde instrumenten of het operatiegaren aan.

Het ging allemaal niet zo vlot en ondertussen maakten de mannen kennis met elkaar.

De sergeant-majoor werkte normaal met een andere dokter. Dit was de eerste keer dat ze samen werkten en hij wilde alles van de dokter weten. Waar hij vandaan kwam, wat zijn opleiding was en dat soort dingen. Ik was alleen maar plaatselijk verdoofd, dus ik mocht meeluisteren.

Nadat de opleidingen over en weer de revue waren gepasseerd, kwamen de persoonlijke omstandigheden voorbij. En de interesses. Zo leerde ik dat de dokter ongetrouwd was, maar wel al een paar jaar verkering had. Zo gauw hij uit dienst was en een praktijk had, wilde hij gaan trouwen.

De majoor was al meer dan 25 jaar getrouwd, zijn eerste nakomeling was zelf ook al getrouwd. Hij hoopte binnenkort opa te worden, enzovoort, enzovoort. Ze keuvelden wat af. Ondertussen verstreek de tijd.

 

Welke was het ook alweer?


Zo we zijn klaar met zijn rug. Nu terug naar
de kazerne en dan eerst een pilsje.
Foto: Michel Sjollema.

Niet alle moedervlekken en wratten zouden verwijderd worden. Van de meer dan 32 had de majoor er 20 of 21 plaatselijk verdoofd. Intussen was het al over vier uur. De verdoving begon uitgewerkt te raken. Ook wist de majoor na verloop van tijd niet meer precies in welk uitstulpsel hij een spuit had gezet. Dus gokten ze maar een beetje en werden er ook wratten verwijderd die helemaal niet verdoofd waren. Ik raakte langzaam gewend aan de pijn en hoopte dat het nu snel afgelopen zou zijn. Om het niet te vertragen, verroerde ik me niet en stelde ik geen vragen.

De laatste wratten werden verwijderd en de wond dicht genaaid. Ik kon precies voelen waar de wonddraad het vel inging en waar het er weer uitkwam. Tegen vijf uur zat het erop. Ik was 21 stukken huid kwijt en er zaten 21 ritssluitingen op mijn rug.

 

Van je familie moet je het hebben

Ik mocht op weekend en kreeg één week lichte dienst. Mijn rug brandde of er met een tank over heen gereden was. Ik had rustig een maand lichte dienst kunnen hebben.

Een week later kwam ik terug. De dokter zei dat het er goed uitzag. Er zaten wel grote vlekken rosé wondvlees rondom de wonden, maar dat zou na een maand of zes wel verdwenen zijn. Hij haalde de hechtingen eruit en we namen afscheid. Ik had mijn bijdrage aan zijn medische ontwikkeling geleverd.

 

Het duurde echter tot ver in de zeventiger jaren voor het wondvlees langzaam verdwenen was. Maar ik heb nooit meer last van een opengesprongen en bloedende wrat gehad. En de wratten die de dokter heeft laten zitten, zitten er nog steeds. "Dat zit in de familie", zei mijn opa.

 

B. Cornelis, 23 maart 2011. Met bijdragen van Michel Sjollema en Wikipedia.

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.