Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

La Courtine 1964

De navolgende La Courtine verhalen komen uit het geheugen van Leen den Boer, maar vooral uit het geheugen en het plakboek van Ger Vossen. En met bijdragen van vele anderen. Onderaan vind je een overzicht van alle medewerkers. Met aanvullende informatie van dhr. A. Burgers uit Velp.

 

Klik op de foto voor een vergroting.

Foto: Johan Altena.

Boekje

La Courtine 1960

Boekje

 La Courtine 1964

Boekje

Retour de France
Terugblik op La Courtine 1959.


La Courtine Ansichtkaart

Klik op de foto voor een vergroting.
Foto: Sietze ten Cate.

 

Klik op de boekjes om ze in PDF formaat te bekijken of te downloaden.  Let op: het zijn
bestanden van 10 en 5Mb. Foto's: Hans de l'Ecluse.

De persoon op het rechterboekje Retour de France is SMI Gerhard Appels van het

46Bat. infanterie Oranje Gelderland uit Steenwijkerwold.

 

Eerste dag


Wachten op vertrek naar La Courtine. Links: Peter van Lith. Boven op het bed:
Marinus van Schaijk, Jan ten Zende, Paul Rybakowski, Koos Verbruggen,
Henri Engels. Onder op het bed: Henk Pierik,  Peter Broekzitter.
 Op de tafel: Dicky Huijsmans en Bruining. Foto: Marinus van Schaijk.

De reis naar La Courtine was al een avontuur op zich. Op woensdag 29 juli 1964 was het zover. Om 10.10 uur vertrok het eerste voertuig van het Mobcomplex "Duivelsberg". Gevolgd door de rest van de C-compagnie. Tegen kwart voor elf was de meute op weg naar het eerste bivak op de Oirschotse heide bij Legerplaats Oirschot.

 

De hele colonne bestond uit ongeveer 70 voertuigen. Die lange rij was opgedeeld in zeven marseenheden. Colonne commandant was kapitein Luchsinger. Rond 14.00 uur arriveerde het laatste voertuig in Oirschot. Voor die afstand van nog geen 110 kilometer, had men bijna vier uur nodig gehad. Dat was inclusief een kleine pauze van 12.10-12.20 uur. Net genoeg om je blaas te legen en de plooien even uit de zitvlakken te strijken.

 

Hoge nood

Sergeant Appie Aalbers zat eens als bijrijder naast Jo Coenen. Appie moest hevig naar het toilet en de volgende sanitaire stop liet maar op zich wachten en wachten. Uiteindelijk zei Jo tegen Appie: "Doe het in je helm". Zo leegde Appie onder het rijden zijn blaas in zijn helm. De helm werd op zijn beurt onder het rijden omgekeerd uit de deur gehouden. Ja, de nood kon soms hoog oplopen. Vijf minuten nadat Appie’s blaas en helm leeg waren, stopte de colonne bij de rustplaats.

 

Sigaret creaties


Sanitaire stop. Paul Rybakowski, ?, Hub Debie,
Peter van Lith. In de auto: Appie Hammink
Foto: Marinus van Schaijk.

Sergeant Ger Vossen was niet-roker. Maar als bijrijder van een wel-roker moest hij inderhaast leren om een sigaretje in elkaar te pielen voor de man aan het stuur. Dat viel niet mee en er zijn door hem dan ook de meest bijzondere creaties aan zijn chauffeur overhandigd. De Indische onderofficieren hadden ook een bijzondere manier van sigaret draaien. Die activiteit werd aangeduid met: even een KNILetje1 draaien. De creaties van Ger Vossen gingen in de cabine door het leven als: even een Vosje pielen.

1 KNIL was de afkorting van Koninklijk Nederlands Indisch Leger en de sigaretten hadden een sterk taps toelopende vorm. De punt van de sigaret kwam in de mond en aan het brede andere einde werd de sigaret aangestoken.

 

Harmonica's

Dat het bijna vier uur duurde om zo’n relatief kleine afstand van 110 kilometer te overbruggen, lag aan de gemiddelde snelheid van de voertuigen in een colonne.

Die snelheid was vrijwel altijd 35 kilometer per uur. Tijdens het rijden had een colonne een bepaalde lengte. De colonne lengte werd korter als men snelheid moest verminderen bij kruispunten, stoplichten, open bruggen enz. De voertuigen kropen dan dichter op elkaar. Bij het optrekken werd vervolgens de colonne weer langer en zo ontstond er altijd een harmonica effect. De eerste voertuigen reden dan wel gemiddeld 35 kilometer, maar de daar achter rijdende auto’s moesten het gaspedaal heel wat dieper intrappen. Ik heb eens in één van de laatste wagens in een colonne gezeten. Door dat harmonica effect moest het achterste stuk van de colonne tegen de 100 kilometer per uur scheuren om de rest, die op een sukkeldrafje van 35 km/uur reed, te kunnen bijhouden. Gelukkig kneep de Marechaussee altijd een oogje dicht als een colonne voorbij.

 

Zwaaien naar de vrouwtjes

De mannen die niet het geluk hadden om chauffeur of bijrijder te zijn, hadden het niet gemakkelijk tijdens dat verplaatsen naar La Courtine. Het tenue was eerste lijnsgevechtstenue minus buitenhelm en pukkel. Dus wel binnenhelm, patroontassen en met gasmasker op de knie. En de UZI om de nek. Daar zat je dan volledig opgetuigd op die harde houten bank achter in zo’n 1 of 3 tonner. Slimmeriken hadden al een kussen onder het zitvlak gestoken. Dat hielp een beetje. Het enige vertier dat er was bestond uit af en toe zwaaien naar een lid van het vrouwelijke geslacht. Ten minste, als die stonden te kijken en je zagen. Voor de afleiding zwaaiden we ook maar als ze ons niet zagen. En soms zelfs als er helemaal niemand stond.

Met elkaar praten kon wel. Alleen moest je het gebrul van de motor overstemmen. Na een paar uur had je geen stem meer over. Maar ook geen onderwerpen meer om over te praten.

In Oirschot werden de pubtentjes opgezet en gegeten. Er volgden nog wat instructies om de mannen voor te bereiden op de tweede dag. En defecte voertuigen werden weer opgelapt. Iedereen was er klaar voor.

 

Tweede dag

Donderdag 30 juli 1964. De tweede dag ging van Oirschot naar de eerste stop in Frankrijk: Mourmelon, een klein plaatsje ten noorden van Reims. De te overbruggen afstand was die dag 336 kilometer. Ook nu was de gemiddelde snelheid 35 km/uur.

De eerste voertuigen vertrokken om 05.24 uur. De route ging via de Bergeijkse Barrière naar België. Via een wel zeer toeristische route ging het vervolgens naar Hasselt, Sint Truiden en Namen. Bij het kleine grensplaatsje Gué-d’Hossus reed de Colonne Frankrijk binnen en maakten de meeste chauffeurs voor het eerst kennis met de Franse verkeersregels en de Franse rijstijl.

De kop van de colonne arriveerde rond 16.00 uur op de bivakplaats in Mourmelon. Zo rond 17.00 uur kwamen de laatste wagens binnen. Onderweg had al menige wagen schipbreuk geleden. Het dagboek van Ger Vossen spreekt over defecte ontstekingen en lekke banden.

 

Autopech


Defecte ontsteking. Foto: Ger Vossen.

Leen de Boer zat met een aantal makkers in een wagen. Zover hij zich kan herinneren was één van die makkers Han Neeskens. De wagen gaf vrij kort na het binnen rijden van Frankrijk de geest. De wagen stond langs de weg en moest wachten op de bezemploeg. Toen die arriveerde werd de wagen met inhoud naar een klein plaatsje gesleept, waar de gebreken zouden worden verholpen. Het zag er naar uit dat ze nog lang niet in Mourmelon zouden aankomen en de warme prak zouden gaan missen.

In het kleine plaatsje baarde de defecte wagen heel wat opzien. De hele bevolking (68 mensen) met de burgemeester (in het Frans: Maire) was uitgelopen. Han Neeskens was de enige die een paar woorden Frans kon brabbelen. Hij deed het woord toen de Maire vroeg wat er allemaal aan de hand was. De Maire had medelijden met die arme jongens die daar moederziel alleen zaten te wachten op de reparatie van hun voertuig. Hij nodigde het hele stel uit voor het avondeten. En de Franse keuken smaakte een heel stuk interessanter dan de noodrantsoenen in Mourmelon. Tijdens dat eten stond de televisie aan en zo zagen ze Rudi Carrell op de Franse TV. Ze verstonden er geen bal van en snapten niet dat Rudi zo goed Frans kon spreken. Daar maakten ze kennis met een show die nagesynchroniseerd was. De teksten waren vertaald en werden door een Fransman in het Frans gesproken.

De ontvangst door die Maire, dat was pas een welkom. Zo mocht de wagen nóg wel eens de geest geven.

 

Derde dag


Verzameling pubtentjes. Foto: Marinus van Schaijk.

Vrijdag 31 juli 1964. De derde dag ging van Mourmelon naar Bourges. De afstand die dag was 322 kilometer. Het eerste voertuig vertrok om 06.30 uur. De route ging via Chalons sur Marne, Troyes en Auxerre. Het eerste voertuig kwam zo rond kwart over vier in Bourges aan. De laatste wagens arriveerden ook nu weer ongeveer één uur later. De stemming onder de mannen was uitstekend. Alles wat ze zagen en tegen kwamen was nieuw. De wegen waren anders, de huizen zagen er anders uit en de opschriften langs de weg waren moeilijk of niet te ontcijferen. Nog één dag en dan zat de reis erop. Die avond werd, net als de voorgaande avonden, nog de nodige pilsjes achterover geslagen. Het werd tijd dat men in La Courtine aankwam. De voorraad pils begon op te raken.

 

De laatste etappe

Zaterdag 1 augustus 1964. Dit was dan de laatste etappe. Hij ging van Bourges naar La Courtine. Er moest nog een afstand van ruim 200 kilometer worden overbrugd. Het eerste voertuig vertrok om 07.50 uur en arriveerde rond half vier in La Courtine. En een uur later was de hele compagnie eindelijk op de eindbestemming (met uitzondering van de pechvogels die nog langs de weg stonden te wachten op de bezemwagen).

Herman Buijs was chauffeur van een "Dikke DAF" YA328. Hij reed als negende in één van de zeven marseenheden, maar hij arriveerde als eerste. Want alle voor hem rijdende auto's hadden tijdens de vierdaagse rit van Schaarsbergen naar La Courtine de geest gegeven.

De komende twee maanden was La Courtine het werkterrein en zouden de mannen van de C-compagnie talloze verbindingen leggen. Maar ook heel bijzondere indrukken en ervaringen opdoen.

De plaatselijke bevolking verdiende nogal wat bij door de soldaten flessen wijn te koop aan te bieden. En om te vermijden dat het de eerste avond al uit de hand zou lopen, mochten de nieuw aangekomen soldaten de eerste avond niet het Camp verlaten.

 

Camp La Courtine


Ingang Camp La Courtine. Foto: Marinus van Schaijk.

De volgende dag zondag 2 augustus 1964 begon, zoals gebruikelijk in die dagen, met Geestelijke Verzorging. In één van de gebouwen werd een kerkdienst gehouden. Daarna konden de mannen de omgeving gaan verkennen.

Camp La Courtine ligt 800 meter boven de zeespiegel op het plateau van Limoges tussen Limoges en Clermont-Ferrand in. Het granietplateau was bedekt met een dunne laag aarde. Daarop groeide niet alleen heide en de op heide voorkomende planten, maar ook waren er dichte naaldbossen. Er ontsprongen vele beekjes, die diepe kloven hadden uitgesleten en prachtige meren hadden gevormd. Zoals jullie nog wel weten was de naam van de streek: Plateau de Millevaches. Dat niet betekent: "Plateau van 1000 koeien" maar "Plateau van 1000 bronnen".

 

Het Camp was verdeeld in verschillende Ilot’s (huizenblokken). Direct vooraan vond je Ilot D, honderd meter verder stond Ilot C. In gebouw 6 van dat huizenblok D werd de C-compagnie ondergebracht. Nog verder in het Camp, waren de Ilot’s A en B. In deze blokken waren de infanteristen en cavaleristen gehuisvest. Verder waren er nog legeringsgebouwen voor de generaals, officieren en onderofficieren, eetzalen, onderofficiersmess, postgebouw en telefooncentrale. Er was een ziekenzaaltje, bioscoop, brandweer en douche barakken. En nog een stel gebouwen. De meeste daarvan waren te afzichtelijk om te beschrijven of te bezoeken. Dus houd ik het hierop.

 

Rijsnelheid aanpassen


De jeep op de sokkel bij de ingang van het kamp.
Foto: Ger Vossen.

Vóór bij de ingang stond op een verhoging het wrak van een Jeep. De Jeep was een paar dagen geleden bij een zwaar ongeluk betrokken en zat volledig in elkaar. Als een geluk bij een ongeluk, waren de inzittenden slechts licht gewond geraakt. De Jeep werd op de sokkel getakeld en diende om de nieuw aangekomen chauffeurs ervan te doordringen om vooral voorzichtig te zijn. Er stond een tekst bij: "Hij reed niet te hard, maar wel te hard voor La Courtine".

 

In het midden van het Camp stond het OPS (Oefen Planning Staf) gebouw. Hierin zat ook de telefooncentrale voor de oefeningen. Die centrale was 24 uur per dag bemand. Tegenover het OPS gebouw stonden het legeringsgebouw voor de officieren. Zeg maar het officiershotel van Camp La Courtine. In dit gebouw was ook een kamer ingericht voor de dienstdoende centralisten. Die centralisten sliepen dus niet in gebouw D, maar in het gebouw tegenover de centrale.

 

Lekker warm bed


Pootje baden in een van de vele
beekjes of meertjes.
Foto: Marinus van Schaijk.

Leen behoorde tot dat groepje van ongeveer zes centralisten. Zij konden hier tussen de diensten door een tukkie doen. In die bedden was het een stuk comfortabeler slapen dan in de bedden in de legeringsgebouwen. Soms waren er echter extra centralisten. Op zulke momenten waren er meer centralisten dan bedden. Dan moest de centralist die wilde gaan slapen, wachten tot zijn makker wakker werd. Voordeel was wel dat het bed dan niet meer opgewarmd hoefde te worden en er al een lekker holletje was.

 

Over de temperatuur hoorde je niemand klagen. Daar op dat Plateau van Limoges heerste een heerlijk klimaat en de mannen gingen dan ook regelmatig zwemmen in de vele meertjes die er in de omgeving waren. De boeren waren er zeer traditioneel en werkten nog met ossen. Regelmatig kwamen de mannen op de smalle wegen boerenkarren tegen die getrokken werden door een span ossen. Dat soort ervaringen maakte de plaatsing in La Courtine onvergetelijk.

 

Sergeant Fred Sijnhorst zette met zijn Radiopeloton een lange (of korte) golf verbinding op met Nederland. Niet alleen waren we nu bereikbaar via de radioverbinding, maar ook kon men daar naar het nieuws gaan luisteren. Immers: niet iedereen beschikte in die tijd over een eigen radio.

 

Zeemadeliefjes

Van Jacques Bouvrie kreeg ik een verhaaltje over Fred Sijnhorst Ik moest gelijk aan een film denken die ik in die tijd had gezien: "Follow the Boys" met Connie Francis (maar mijn aandacht meer uitging naar de schoonheid van Paula Prentiss). De film gaat over een paar schepen van de Amerikaanse vloot die in de Middellandse Zee varen. De liefjes van de mannen aan boord volgen als zeemeeuwen de schepen en zijn in de nieuwe haven als de schepen daar arriveren.

Iets vergelijkbaars was er met Fred Sijnhorst. Toen de compagnie in 1964 naar La Courtine ging, reisde de familie van Fred Sijnhorst in zijn Lelijke Eend (was duidelijk een populaire en flexibele auto) achter de colonne aan. De familie verbleef op een camping in de buurt en daarom hoefde Fred ’s avonds niet op de kazerne te blijven. Hij mocht "thuis" (op de camping) bij vrouw en koters gaan slapen. De dienst: je kon er wat van maken, als je maar creatief was! Fred was de sergeant 1 van het Radiopeloton met de geweldige markante snor.

 

Vreemdelingenlegioen


De gebouwen van La Courtine. Foto: Marinus van Schaijk.

Camp La Courtine was een oude kazerne van het Vreemdelingenlegioen en stamde uit 1902. Zoals wel vaker in Frankrijk, was er daarna nauwelijks iets aan onderhoud gedaan. De gebouwen zagen er niet alleen vervallen uit en ze waren het ook nog!  In de toiletten maakten de meesten kennis met een Frans fenomeen: "de hang WC". Twee voetstappen en een gat. Op de hurken gezeten, moest je dan doen waar je voor gekomen was. De productie van die activiteit werd opgevangen in daaronder staande tonnen. De WC’s werden al direct omgedoopt in "startblokken".

 

We gaan oefenen

Maandag 3 augustus 1964 begon dan het werk waarvoor de compagnie die lange reis had gemaakt: het verzorgen van de verbindingen voor de oefenende Artillerie, Infanterie en Cavalerie.

Op een heuvel werd een verbindingscentrum ingericht. Hier stonden radiowagens, radioschakelwagens en een berichtenkantoor van het BK Telexpeloton. Het Lijnpeloton legde de lijnen aan naar de centrale in het Camp.

 

De Centurion tanks van de Cavalerie en de kanonnen van de Artillerie werden op platte treinwagons aangevoerd. Die onderdelen begonnen met hun oefeningen. Van hun activiteiten merkten de verbindingsmannen niet veel. Alleen als af en toe de ondersteunende straaljagers overvlogen. Dan was het even oppassen geblazen. Die dingen vlogen zo laag en maakten zoveel herrie dat je van schrik iets uit de handen kon laten vallen.

Voor de mannen van de C-compagnie was het leven niet al te lastig in Camp La Courtine. Als de verbindingen er in zaten, was er niets meer te doen en begon een lui leventje.

 

Atoombommen in La Courtine


Foto: Uitgeverij THOTH.

Johan Scholten heeft het boek "Beste ouders, lieve Ine, ik schrijf dit uit La Courtine" aangeschaft en over de foto op pagina 44 kreeg ik van hem een opgewekt emailtje: "Eindelijk heb ik het bewijs. Niemand geloofde mij dat we imitatie atoombommen afgezet hebben in La Courtine. Dit is de eerste keer dat ik hiervan een foto heb gezien.

In La Courtine had de Genie een tekort aan chauffeurs. Ik werd toen voor één week bij de Genie gedetacheerd. Dit bleek achteraf mijn allermooiste ervaring te hebben opgeleverd. Op één van de dagen dat ik met die jongens van de Genie optrok, moesten we op zes verschillende plaatsen vaten met 200 liter diesel in diepe kuilen graven. Daarna kwamen er stokken Gelignite (detonatie-gelatine staven) en blauwe ontstekings-lonten in. Vervolgens werd het hele zooitje opgeblazen, vlak voordat de tanks erover heen reden. Man, ik had nog nooit zo iets moois gezien. Op die foto van pagina 44 kun je de vuurkolom niet zien. Maar het was geweldig. Ik stond bijna te dansen van sensatie.

Op een andere dag gingen we de infanterie verrassen met CS-gas (= o-chloorbenzylideenmalonnitril, maar bij ons beter bekend onder de naam Traangas. KB). Dat gas zat in hoge druk brandblusapparaten. Wij spoten dat leeg net op het moment dat die infanterie jongens in de rij bij hun veldkeuken stonden. En natuurlijk direct maken dat we weg kwamen, omdat die infanteristen je ongenadig op de sodemieter konden geven. Die hadden echt geen boodschap aan onze eventuele uitleg. Het is dan ook geen wonder, dat ik later in Australië een cursus explosieven-specialist heb gevolgd. De basis daarvoor werd in La Courtine gelegd".

 

Uitgaan


Marinus van Schaijk en Thijs Boelsma verkennen
La Courtine. Foto: Marinus van Schaijk.

Als er geen dienst was gingen de mannen graag stappen in de omgeving. La Courtine, dat kon je lopend doen. Maar plaatsen als Ussel, La Bourboule, Aubusson en de Puy de Dôme waren verder weg. Daar gingen ze heen in een 3-tonner of een 1-tonner DAF YA 126 Wep. Op één van die uitstapjes was Leo Leenaarts de chauffeur van zo’n Wep. Leo was van 63-5 en was dus al een geroutineerde chauffeur. Hij reed de mannen naar La Bourboule. Toen hij de wagen wilde keren, bleek er een Fransman in een R4 te zijn die zijn kreukelzones op de Wep van Leen wilde testen. De Eindhovense DAF bleek toch steviger te zijn dan de Franse Renault. De DAF had geen krasje, de Renault was total loss. Leen ging vrijuit, maar het was een enorme commotie. Vooral omdat de Fransen beter Frans spraken dan de Nederlanders.

Johan Scholten ging eens met zijn makkers stappen in Aubusson. Er waren in die omgeving veel tapijtweverijen. Op de markt van Aubusson hadden tapijtwevers een heel groot tapijt uitgerold om er beter aan te kunnen werken. In 1967 emigreerde Johan en zijn vrouw Alie naar Australië. In 1968 gingen ze naar een concert van Fats Domino in het operagebouw van Sydney. En daar hing datzelfde tapijt aan de muur, waar hij 1964 in Aubusson naar had staan kijken. Het is een kleine wereld.

 

Feesten

Om de tijd te doden, maar vooral ook omdat ze er zin in hadden, werd er regelmatig gefeest. De kantine was dan met camouflagenetten omgetoverd in, ja in wat eigenlijk? Het was nooit de sfeer van een bar of café. Maar het licht was gedempt en dat maakte het geheel wat gezelliger. Er waren bijna nooit dames op die feesten, dus zo’n partijtje werd al gauw aangeduid met Hengstenbal.

Natuurlijk gingen er de nodige pilsjes over de toonbank. Maar in Frankrijk, zeker in een gebied dat zover richting de wijnstreken ligt, kun je niet om wijn heen. Bovendien was wijn er erg goedkoop. Dus dat werd al gauw de favoriete drank van de mannen. Als hapje nam men er een blikje Sardientjes in olijfolie rbij.

Ook maakten de mannen kennis met een mixdrank: Vin Blanc au Citron. Witte wijn met citroen limonade siroop. Héééérlijk. Dat dronk zich als water, maar de volgende morgen zat praktisch iedereen met een joekel van een kater op ziekenrapport.

 

Regenbui in La Courtine

De volgende gouwe ouwe komt uit de herinneringen van Leen van den Hor.

Leen van de Hor herinnert zich nog altijd Leo Leenaarts, Paul Rybakowski, Harrie Murkens en Harrie Hoppenbrouwers.

Dit laatste duo was onafscheidelijk en dezelfde voornamen gaf veel verwarring, zodat Harrie Hoppenbrouwers was omgedoopt in Hoppie Hoppenbrouwers. Van alle lichtingen van vóór 63-4 waren deze twee de enigen die ikzelf me nog kon herinneren. Hoppie was zo smal als Stan Laurel. Harrie Murkens had niet de omvang van Oliver Hardy, maar hij had toch wel een blozend figuur, om het eens kalmpjes uit te drukken.

Leen vertelt: "Die twee waren altijd samen op stap. En elke avond hadden ze een snee in de neus. Harrie haalde zijn bed nog wel, maar Hoppie struikelde altijd over de bank, viel languit op de tafel en bleef daar tot de reveille liggen. In La Courtine was dat ook het geval. Op een avond na uitgebreid stappen, kwam het duo terug op de kamer die op de eerste etage lag. Hoppie moest plots een plasje plegen. Zonder na te denken opende hij het raam, klauterde op de vensterbank en hup daar ging de stortvloed naar beneden. Ik hoorde nog één van de wachten buiten tegen een ander zeggen: "Ik geloof dat het gaat regenen". Toen donderde Hoppie achterover de kamer in".

 

L’EMÈRE


Kop van het krantje L'EMÈRE. Foto: Ger Vossen.

Elke morgen verscheen een speciaal voor Camp La Courtine door de afdeling voorlichting samengestelde krant. Het blad heette L’EMÈRE 1 Divisie "7 December". Zo op het oog een merkwaardige naam voor een vier tot zes pagina’s dik nieuwsblad. Maar als je er goed naar kijkt is het een heel kunstige en verfranste samentrekking. Er staat vertaald: De EM-er 1 Divisie "7 December. EM was de afkorting voor Expeditionaire Macht in het embleem van de 1Divisie. Dat EM embleem hadden we allemaal op de rechterbovenarm van ons uniform zitten naaien toen we bij het 11Verbindingsbataljon aankwamen. L’ EMÈRE: De EM-er op de Franse wijze geschreven, was dus een knap gevonden naam voor het nieuwsblaadje.

Het was elke morgen verkrijgbaar. In de editie van woensdag 5 augustus 1964 lazen we o.a. dat de jongste van de negen in Champagnole ingesloten mijnwerkers na 200 uur is bevrijd. Maar ook lazen we dat er de voorgaande zondag 2 augustus in Bourges (de dag nadat we er zelf waren vertrokken) een ongeluk met een Nederlands voertuig had plaats gevonden. Daarbij was één van de inzittenden om het leven is gekomen.

 

Post


Cor Leijtens op het vliegveld van Clermont-Ferrand met op de
achtergrond de Fokker Friendship F-27. Foto: Cor Leijtens.

Om de militairen op oefening ook van post te kunnen voorzien zonder bekend te maken waar ze zaten, had het leger de NAPO uitgevonden. NAPO staat voor Netherlands Army Post Office. Het Nederlandse Leger Post Kantoor dus. Het NAPO zat in Utrecht. Als ik me goed herinner in de van Sijpesteinkazerne op de Croeselaan tegenover de Hojel kazerne.

Elke missie of oefenlocatie kreeg een nummer. Het thuisfront stuurde dan de brieven naar dat NAPO nummer in Utrecht. Van daar werd de post doorgestuurd naar het betreffende oefengebied.

Voor La Courtine was dat NAPO 280, Utrecht. Als je zelf een brief of kaart naar huis stuurde, moest je dit NAPO nummer als afzendadres gebruiken. Uiteraard ook met je naam en registratienummer op de envelop. Anders zat een ander je liefdesbrieven te lezen.

De post voor La Courtine werd dagelijks met een Fokker F-27 ingevlogen naar het vliegveld van Clermont-Ferrand. En werd daar elke morgen rond 08.00 uur opgehaald door Cor Leijtens. Die een mooi baantje had aan het ophalen en brengen van onze post. Want om de 90 kilometer naar Clermont-Ferrand te overbruggen, moest hij al rond half zeven vertrekken. Zo miste hij altijd het morgen appel en hoefde niet mee te doen aan een hoop militaire poespas. Het lukte hem om kennis te maken met een aardige blondine. En vervolgens maakte hij ook kennis met de moeder van de Française. Dat bleek ook een heel aantrekkelijke dame te zijn. En zo had hij een relatie zowel met de moeder als met de dochter. Heb ik gehoord. Of het waar is, is een tweede. Maar Supermannen zaten er wel in het Lijnpeloton.

 

Terugreis


We gaan weer naar huis. Foto: Ger Vossen.

De juiste datum heb ik niet kunnen achterhalen, maar eind september/begin oktober 1964 keerde de C-compagnie terug naar de Oranje-Kazerne in Schaarsbergen. De terugreis ging dezelfde, maar omgekeerde route, als op de heenreis. Eerste dag naar Bourges, vervolgens Mourmelon, Oirschot en daarna eindpunt Schaarsbergen. Ik ben er niet zeker van of men ook nog werkelijk die laatste overnachting in Oirschot had. De karavaan kwam namelijk ’s avonds na tienen aan op de Oranje-Kazerne. En dat zou kunnen betekenen dat men in één keer is doorgereden van Mourmelon naar Schaarsbergen.

 

Leen de Boer zat weer achter in een wagen. Ook korporaal van Heteren zat erbij. Ergens vlak voor de grens met Nederland kregen ze pech. Besloten werd de passagiers over te laten stappen in een andere wagen. De chauffeur van de pechauto en korporaal van Heteren moesten wachten op de bezemploeg. En dat kon wel een dag of twee duren. Van Heteren, die zich helemaal had ingesteld op de thuisreis na zoveel weken, raakte heftig geëmotioneerd. Leen maakte het niet zoveel uit om een paar dagen later thuis te komen. Hij stelde zich beschikbaar en bleef bij de chauffeur achter in plaats van van Heteren. Op voorwaarde dat deze bij thuiskomst in Schaarsbergen in elk geval Leen’s plunjebaal uit de stapel zou halen en op de kamer bij Leen’s bed zou deponeren. Het vervolg laat zich al raden. Direct na terugkomst ging van Heteren op verlof.

 

Redder in de nood: kapitein Luchsinger

Toen Leen dan ook op zaterdagmiddag eindelijk met de gerepareerde wagen op de O.K. arriveerde, stond zijn plunjezak niet naast zijn bed. Maar was onvindbaar verdwenen op het MOB. Leen kon niet op verlof, want zijn Eerste Grijs zat ook in die plunjezak. Goede raad was duur. Leen besloot nog maar eens met kapitein Luchsinger te spreken en hem de kwestie uit te leggen. Probleem was dat de kapitein ook al lekker bij vrouw en kinderen thuis zet. Leen liet zich daar niet door tegenhouden en belde de kapitein op zijn privé adres. Kapitein Luchsinger voelde helemaal mee met Leen. Hij regelde voor hem een tijdelijk uniform. En kapitein Luchsinger kon bij Leen niet meer stuk.

 

De macht van een verloofde


Sgt. Ger Salden en sgt.1 Fred Koster. Wedstrijdje snor.
Foto: Ger Vossen.

Sergeant Ger Salden had geen snor toen hij in dienst kwam. En die had hij ook niet toen op 29 juli 1964 de C-cie naar La Courtine ging. Maar toen de compagnie terugkwam zat er plots zwarte begroeiing onder de neus van Ger: "Dat snorretje had ik niet toen we naar La Courtine gingen. Dat is onderweg gegroeid. Begin oktober 1964 kwamen we terug in Schaarsbergen. Kapitein Luchsinger inspecteerde de troepen en iedereen met snor kreeg de opdracht om dat ding eraf te scheren. Toen hij bij mij kwam zei hij echter: "O ja, jij had hem al vóór de oefening!!!". Hij was kennelijk in de bonen, maar ja, het betekende wel dat die snor van mij mocht blijven staan.

Het eerste weekend daarna kwam ik met dat ding onder mijn neus bij mijn vriendin (mijn huidige vrouw Luus). Zij vond het maar niks en dus moest ik alsnog mijn bovenlip kuisen.

Terug op de kazerne en de eerstvolgende inspectie keek kapitein Luchsinger even verbaasd naar mijn "babyface". Hij zei echter niks en liep strak door. Hij moet hebben gedacht: ach er zijn dus nog hogere krachten dan Het Leger".

 

Dienen?

Direct na terugkeer uit La Courtine zwaaide lichting 63-2 af. Lichting 63-3 noemde zich al een tijdje Ouwe Stomp, maar nu werden ze het echt. Om het nog indrukwekkender te maken noemden ze zich ook Ouwe La Courtine Peuken c.q. Ouwe NATO Peuken. De nieuwkomers van lichting 64-3 hadden nog nooit van het fenomeen Oude Stompen gehoord. Dus die keken hun ogen uit. Tot die lichting 63-3 behoorden o.a. Jan Gortemaker, Hoppie Hoppenbrouwers en Harry Murkens. Ik heb daarna nooit meer een lichting gezien die met zoveel respect werd behandeld als 63-3. Ze zwaaiden eind november af, dus hoefden op dat moment nog maar zes weken te dienen. Nou ja, te dienen houdt in dat ze ook iets deden. En, eerlijk gezegd, ik heb die jongens nooit iets zien doen, behalve feesten. Ze stonden op wanneer ze zin hadden en appel deden ze niet of nauwelijks meer aan mee. Onderhoud op het MOB, dat was voor de rest. En ze kwamen er ook nog mee weg. Niemand zei er die laatste weken meer iets van. Ze zorgden voor heel wat leven in de brouwerij. Hun afzwaaifeestjes waren de meest uitbundige partijtjes die er in die dagen georganiseerd werden. Toen ze weg waren werd het akelig stil op de compagnie en nam het normale leven weer langzaam zijn loop.

 

Kees Blokker, Voerendaal, 14 februari 2011. Met bijdragen van Leen den Boer, Jacques Bouvrie, Herman Buijs, A. Burgers, Jo Coenen, Hans de l'Ecluse, Leen van de Hor, Cor Leijtens, Ger Salden, Marinus van Schaijk, Johan Scholten, Ger Vossen.

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.