Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

Wasmerkjes en Limburgse kaas. Donderdag 11 juni 1964.

 

Opstaan met hart

En we gaan nog niet naar bed, nog lange niet,
nog lange niet... Gelukkig hield wmr. van der Velde
daar rekening mee. Foto: Theo Ramakers.

Op donderdagmorgen 11 juni 1964 begon dan onze militaire opleiding. Het was iets wonderlijks: We waren er lichamelijk wel allemaal bij, maar geestelijk lagen we na die korte nachtrust nog allemaal te slapen en te dromen van onze geliefde thuis (als we die hadden).

 

Wachtmeester van der Velde was dan wel een Artillerist, maar hij moet een Verbindingshart hebben gehad. Hij hield rekening met alle gevoelens en vermoedde al dat het die eerste nacht erg laat was geworden. Maar ja, er moest een begin worden gemaakt en het was nu eenmaal al heel lang geleden gepland dat er om 06.00 uur reveille zou zijn. En na enig vriendelijk aandringen van hem stonden we allemaal naast het bed. Waarna we gebruik gingen maken van het aanwezige sanitair en het een drukte van belang was in de wasruimte.

 

Aantreden

Daarna had van der Velde weer zo’n geweldig voorstel: zouden we eerst maar eens gaan ontbijten? Dat zagen we wel zitten en zo zaten we dan allemaal rond 07.00 uur opnieuw in het Cafetaria. De plate’s werden ditmaal gebruikt om brood en beleg op te mikken en thee kregen we in de aluminium drinkbeker die we gisteren hadden gekregen.

Rond 08.00 uur waren weer terug in de kamer en toen gaf van der Velde ons de eerste militaire les. “Aantreden” geheten. In het kort kwam dat erop neer dat hij op een fluitje ging blazen. Op dat signaal moesten wij als een speer naar buiten rennen en ons in rijen opstellen. In de, zoals hij dat noemde: “militaire rusthouding”: handen op de rug, je twee voeten ongeveer 40 centimeter uit elkaar en de hakken onder een hoek van 90 graden.

Van der Velde was zo’n aardige man, dat we besloten om hem ook een pleziertje te gunnen en te doen wat hij zo graag wilde. Toen bleek alras, dat waar zoveel mensen zijn er ook zo verschillend wordt gedacht over het begrip: “als een speer naar buiten rennen”. De jongens die kennelijk bij een atletiekvereniging hadden gezeten, stonden al heel triomfantelijk buiten, als de rest nog moest bijkomen van de schrik van het harde fluitsignaal. Maar van der Velde was niet uit het veld te slaan. “We gaan voorlopig toch nog niet naar huis, dus laten we het nog maar eens doen” zei hij. Wij weer terug naar onze kamer op de tweede verdieping en hij deed een nieuwe poging om ons gelijktijdig, dan wel nagenoeg gelijktijdig, buiten te krijgen. Rond 9.00 uur gaf van der Velde zijn pogingen maar op en begonnen we aan het tweede deel van het ochtendprogramma.

 

Herkeuring

We wandelden naar het badhuis en kregen hier een badhokje toegewezen. We moesten ons uitkleden en toen kwam een dokter ons keuren. Hij vroeg of we sinds de vorige keuring nog ziek waren geweest of een ongeluk hadden gehad, klopte hier en daar iemand op de borst en luisterde bij een enkeling met zijn stethoscoop. Ook moesten we ons omdraaien en voorover bukken. In die tijd behoorde ik nog tot het zeer naïeve deel van de natie en ik meende werkelijk dat hij op de aanwezigheid van aambeien controleerde. Onze Pathologen*) hielpen me ’s avonds snel uit de droom: dat was om te controleren of we niet een persoonlijke voorkeur hadden die strijdig was met de belangen van Het Leger. Zo maakte ik voor het eerst kennis met het woord homo seksueel. In het leger hadden ze daar ook al snel alternatieve woorden voor: homo saxofoon of homo zakcement en nog een paar die ik nu kwijt ben.

 

Voorschrift VS 2-1350


Onmisbaar. Foto: Jan van Eerden.

Hierna gingen we naar de sporthal waar er een röntgenfoto van onze borstkas werd gemaakt en we de eerste injecties kregen. Er zouden de komende weken nog vele spuiten volgen. Soms drie op een dag. Na een week of vier leek je arm wel een vergiet.

Ook werd er een foto gemaakt die later in het militaire paspoort kwam te zitten. Van de brildragers werd de oogsterkte gemeten, er waren kleermakers die onze maat voor het uniform namen en we kregen weer een deel van onze PSU uitgereikt. En, daarbij zat ook het Voorschrift VS 2-1350, bij ons beter bekend onder de naam “Handboek Soldaat” met de beroemde classificatie "Dienstgeheim".

Terug op de kamer kregen we van onze trouwe metgezel van der Velde een lesje over hoe we onze kast moesten inrichten, van de dekens een keurig wolletje moesten vouwen (er bleek namelijk geen kamermeisje te zijn, die dat inmiddels voor ons gedaan had) en nog meer nuttige dingen.

 

Militaire choreografie

’s Middags deed hij een nieuwe poging met de les “Aantreden”. Dit keer vulde hij het aan met de eerste les militaire exercitie. Doel van de exercitie was dat, als we moesten marcheren, we allemaal tegelijk zouden beginnen. En, wat nog veel belangrijker was, ook allemaal tegelijk zouden stoppen. Dus leerden we op commando’s te wandelen.

Van der Velde legde ons uit dat een commando altijd uit twee delen bestond. Namelijk de aankondiging van het commando en het commando zelf. Bijvoorbeeld “Geef…. Acht”. Later leerden we dat er nog een derde deel bestond. Namelijk de vooraankondiging van de aankondiging.

Voorbeeld van zo’n uit drie delen bestaande commando is: ‘Afdeling….Geef.…. Acht”. Het eerste deel was om de slaapkoppen in een groep erop te attenderen dat er een commando ging volgen. Op het tweede deel “Geef…” moesten we onze borst strekken. Op het derde deel “….Acht” moesten we ons linkerbeen zo hoog optillen dat het bovenbeen ongeveer haaks op het rechterbeen stond. En vervolgens moesten we dat linkerbeen met een klap naast het rechterbeen laten neerkomen.

Maar dat was nog niet alles. Gelijktijdig met het omhoogtillen van het linkerbeen moesten we onze armen van achter op de rug verplaatsen zodat ze links en rechts naast het lichaam recht naar beneden hingen. En de handen moesten in een vuist gevouwen worden, met de duim op de vuist naar voren gericht.

 

Exercitieles met choreografie. Foto: Klaas Leemhuis.

Het is duidelijk dat zoveel verschillende bewegingen aanleren, lang niet eenvoudig was en iedereen dat in zijn eigen tempo deed. De snelle jongens (kennelijk hadden die bij de boyscouts gezeten) waren allang klaar als de rest nog bezig was met het optillen van het been of het bij elkaar friemelen van de vuisten. Om er voor te zorgen dat we dat allemaal tegelijk zouden doen had Het Leger daar het volgende opgevonden: Op het commando en tijdens het uitvoeren ervan, moesten wij als antwoord iets schreeuwen. Meestal was dat “Links…Rechts”. Dus op het commando “Geef…” rekten we ons uit, op “…Acht” tilden wij ons been op en schreeuwden als antwoord “Links”. En bij het neerzetten van het been en het strekken van de armen volgde dan keihard “Rechts”.

Deze militaire choreografie werkte best goed en na enig oefenen lukte het ons zowaar om gelijktijdig te eindigen.

 

Een volgende commando was “Voorwaarts…. Mars”. Dat was een fluitje van een cent, als we maar allemaal tegelijk met het linkerbeen begonnen. Wat in het begin lang niet iedereen deed. Het stoppen had wat meer voeten in de aarde. Dat commando was: “Afdeling (of peloton)….Halt”. Zo’n commando werd altijd gegeven op het moment dat we tijdens het marcheren op het linkerbeen stonden. Wij moesten dan nog drie passen doorlopen en roepen: “EN STA STIL” en vervolgens maar hopen dat ook iedereen stil zou staan. Het gaf altijd zo’n kluwen soldaten als er een paar slaapkoppen waren die toch door liepen.

 

Zo leerden we op die manier nog veel commando’s: “Hoofd der colonne rechts/links…. Af”, Links/rechts uit de flank….Mars”. Het algemeen favoriete commando was “Ingerukt…. Mars”. Maar mijn favoriet was altijd: “Rechtsomkeert….. Mars”. Vooral als de commandogever wat verder van de groep af stond en de helft van de colonne het commando wél had gehoord, maar de ander helft niet. Die helft liep gewoon door en eindigde languit tussen de rozen. Prachtig gewoon.

De eerste oefeningen gingen moeizaam. Toen van der Velde vertelde dat we pas weer naar huis mochten als we konden marcheren, verdrievoudigde de aandacht en inzet en tegen het einde van de middag liepen we al bijna als modelsoldaten. Je kon van van der Velde zeggen wat je wilde, hij kwam altijd met de juiste argumenten om ons te motiveren.

 

Inlopen

Je moet ze even inlopen. Foto: Ger Vossen.

Ook onmisbaar. Foto: Kees Blokker.

Die dag begonnen ook de eerste problemen met de schoenen. Dit waren een soort half hoge mannenlaarzen. De schoenen hadden inmiddels ook al een andere naam gekregen: “Legerkistjes”.

Bij het uitreiken was al gezegd: “Je moet ze, net als een auto, even inlopen”. Daarbij werd gemakshalve vergeten, dat bij het inlopen van een auto de cilinders het werk doen. Daar voel je zelf niets van. Maar bij het inlopen van legerkistjes moeten je voeten het werk doen. En dat voel je wel degelijk zelf aan den lijve, lees voeten.

 

Daar kwam bij dat de kistjes gemaakt waren van een keiharde soort leer. Afkomstig van hele oude koeien of daarvoor speciaal in het geheim gefokte olifanten. In het burgerleven kocht je nieuwe schoenen en door het dragen ervan nam de schoen de vorm aan van je voet. Wat de juiste en minst pijnlijke manier is van inlopen van schoenen.

 

De legerkistjes waren echter taai en nauwelijks vervormbaar en pasten zich niet aan je voeten aan. Tenzij je voeten had die gegoten waren uit gewapend beton of gelijkaardig materiaal. En er waren maar weinigen die dat hadden. Bij de meesten moesten de voeten zich dus nu aanpassen aan de schoenen. Er in groeien zo gezegd en dat doe je niet op een woensdagmiddag en een donderdagmorgen. Daar kwam nog bij, dat door de exercitiemarsen de voeten uitzetten en dan nog minder ruimte hadden. Menige jongen liep dan ook tegen de avond te hinken of te trekken met zijn been en er moest menig blaar door de Pathologen worden doorgeprikt.

 

De Limburgers en hun kaas

Hoewel het volgende verhaal een geurig verhaal is, kan het minder smakelijke beelden oproepen. U bent gewaarschuwd.

Gelijk met de Legerkistjes en de exercitie maakten we ook nog kennis met een ander fenomeen: “Zweetvoeten” of in legertaal “Zweetkakjes”.

 

Terug op de kamer trokken we als een speer de schoenen uit om onze getergde voeten rust en ruimte te gunnen. Na enige minuten verspreidde zich een opmerkelijke geur in de kamer. Eerst dachten we dat iemand een pak Limburgse kaas had opengetrokken. Maar vergeleken bij de zich verspreidende geur, was die van Limburgse kaas een aangename rozen geur. Het bleek uiteindelijk, dat er meerdere personen met dit probleem zaten. Zij werden dan ook razendsnel naar het waslokaal verhuisd. Waar ze hun onderdanen konden verzorgen. Toen ontdekten we ook een ander onmisbaar attribuut in onze PSU: Voetpoeder, met als ondertitel Undecyleen. In een mooi groen strooibusje (militair stocknummer 1-2215-2060). Gebruiksvoorschrift: “Bestrooi uw voeten dun met dit poeder. Herhaal de behandeling zonodig meermalen per dag”. Die jongens werden grootverbruiker van dat product.

N.B.: Ik hoorde daar niet bij. En zodoende staat het strooibusje al meer dan 45 jaar ongebruikt bovenop ons medicijnkastje. Ik zou het ook niet meer kúnnen gebruiken. Niet alleen is het over datum, maar de inhoud is nu zo hard als beton.

 

Die avond werd de rest van de moppen verteld met als resultaat, dat we weer pas tegen de morgen gingen slapen.

 

 

Vrijdagmorgen 12 juni 1964

 

De Batterijcommandant

06.00 uur. Van der Velde en zijn assistent begonnen er een gewoonte van te maken om ons in alle vroegte uit bed te jagen. Maar hij was zo’n aardige vent, dat we hem dat niet kwalijk namen. Immers om ons om 6 uur uit bed te jagen, moest hij zelf nog veel eerder op staan. Om te vermijden dat hij dat de rest van de twee maanden van onze basisopleiding ook zou moeten doen, had hij daar iets op gevonden. Hij deelde die werkjes vanaf de volgende week met de andere wachtmeesters. Elke week werd een andere wachtmeester aangewezen. Die was dan een week lang de zogenaamde wachtmeester van de week. En hij kreeg gedurende die week de taak om over ons te waken en om ons vertroetelen.

Rond 08.00 was er appel. We begonnen zowaar al een beetje te begrijpen wat van ons verwacht werd. We stonden naast de bedden en riepen: “present” als onze naam werd afgeroepen. Vervolgens ging van der Velde dan naar een andere persoon melden dat niemand onwettig afwezig was. Die andere persoon was kennelijk nog hoger in rang, want hij had drie sterren op zijn schouders. En zelfs van der Velde, die wij al heel hoog vonden, ging voor hem in de houding staan en salueerde voor die persoon. Dat bleek onze batterijcommandant te zijn. Hij was de man die ons later zou inspecteren als we in een weekend naar huis mochten. Verder zagen we nooit veel van de man. Wachtmeester van der Velde was voor ons Het Leger.

Overigens, we leerden later al snel hoe je onwettig afwezig kon zijn en toch als aanwezig gemeld kon worden.

 

Die dag kregen we onze eerste lessen in de militaire rangen van het leger en hoe we ons bij een meerdere moesten melden.

 

Coupe Militaire

Vóórknippen door onze KMA korporaal. Vlnr. Al, Tosserams,

KMA korporaal, ?, ?, Wiek Borghans. Foto: Kees Blokker.

Er is nog een aspect van het militaire leven onderbelicht gebleven en dat is de lengte van ons haar.

Om een goed en onoverwinnelijk soldaat te zijn mochten onze haren niet te lang zijn. We mochten ook de kazerne niet uit voordat onze haren geknipt waren. Zelfs niet eens naar het net buiten de kazerne gelegen KMT (Katholiek Militaire Tehuis) of het protestantse equivalent ervan, het PMT.

Tijd dus voor een bezoek aan de kapper. En zo marcheerde Van der Velde ons op die vrijdagmorgen naar de kapper voor een “Coupe Militaire”. Die kwam er in het kort op neer, dat we een soort bloempot opgezet kregen. Alle haren die onder die bloempot uitkwamen werden met de huid gelijk gemaakt. Althans, dat was de bedoeling. Van der Velde had ons verteld dat er enige variatie in de “Coupe Militaire” mogelijk was en dat je dat kon beïnvloeden door de kappers (er zaten een hele serie) vriendelijk te behandelen (lees: per knipbeurt een bedragje toe te schuiven). Het knippen was namelijk een door Het Rijk Verstrekte Voorziening (RVV). En voor ons dus gratis. Maar dat was voor de kappers geen vetpot. Als we de kappers vriendelijk behandelden, bleek de “Coupe Militaire” toch enige lengte en variatie in haarstyle toe te staan. Omdat we niet bij ons eerste verlof al met een kale kop thuis wilden komen, werd er dus driftig met geld geschoven. Zo maakten we voor het eerst kennis met corruptie binnen het leger. Dat zou later nog wel eens voor komen, hoewel het niet altijd geld hoefde te kosten.

 

Altijd dragen

Gelukkig zitten nog alle twee identificatie-
plaatjes aan de ketting. Foto: Kees Blokker.

Na het bezoek aan en het werk van de kapper begonnen we allemaal nog een beetje meer op elkaar te lijken. Om ervoor te zorgen, dat we niet met elkaar verwisseld zouden worden, kregen we een metalen ketting met daaraan twee plaatjes, waarin Het Leger keurig onze naam had laten drukken. Van der Velde noemde dat de Identificatieplaatjes en hij drukte ons op het hart om deze ketting altijd te dragen. Al bij de uitreiking werd het “Identificatieplaatje” omgedoopt in “hondenpenning”.

 

Op deze eerste vrijdagmiddag bleek dat beroepsmilitairen óns wel op de mouw spelden dat wij 24 uur per dag in dienst waren en geen vrije tijd meer hadden. Maar zelf wilden ze wel graag op tijd de bus en trein naar huis hebben.

 

Wasmerkjes

Die middag haalden we de rest van onze PSU op en kregen daarbij ook een paar honderd meter wit lint. De bedoeling was dat we stukken van dat lint in onze PSU kleding gingen naaien en daar dan met een zwarte dikke viltstift de eerste drie letters van onze naam en de laatste drie cijfers van ons registratienummer op zouden schrijven. Dat waren de merkjes voor de wasserij. Zodat we onze eigen kleding zouden terug krijgen als het naar de wasserij ging (ook zo'n door het Rijk Verstrekte Voorziening RVV). Dat was een hele klus (het innaaien van de wasmerkjes bedoel ik dan, niet het naar de wasserij sturen van de kleding) en daar waren we de rest van de avond en de zaterdag wel mee bezig.

 

Wat? Is dat alles wat we krijgen?

Inmiddels hadden we ontdekt dat de betaling die we van het Leger kregen voor onze bijdrage aan de verdediging van het land, lang niet zo groot was als we hadden gedacht resp. hadden gehoopt. ‘n Schamele één gulden en tien cent per dag. En daarvan werd ook nog eens tien cent gespaard. Dat kreeg je op het eind van de diensttijd uitgekeerd. Zodat je daarvan nieuwe burgerkleding kon gaan kopen. Want we waren immers in de tussentijd mannen geworden!?

Die beloning was dus een hele teleurstelling en plotseling ontdekte ik ook al de bodem van mijn portemonnee. Dat riep om een creatieve oplossing. Ik ontdekte dat een aantal kamergenoten liever wel iets anders deed dan wasmerkjes in de PSU naaien. Dat gat in de markt vulde ik snel op en zo zat ik daarna dat weekend en nog menige avond daarna wasmerkjes te naaien à raison van 25 gulden per PSU. Van het uitgaansleven in Ossendrecht, Putte en Bergen op Zoom heb ik op die manier niet veel gemerkt.

 

Die avond na 22.00 uur, toen de eerste jongen vroeg: “Kennen jullie die mop van…” werd hij bekogeld met schoenen en alles wat we onder handbereik hadden. Geen grappen meer, we wilden slapen. Het soldatenleven was begonnen.

 

Kees Blokker, Voerendaal, 25 oktober 2010. Met bijdragen van Jan van Eerden, Klaas Leemhuis, Theo Ramakers, Ger Vossen.

*) Pathologen zijn medische studenten die in hun vakantieperiode de basisopleiding konden doen. Zie: Het bijzondere van lichting 64-3.

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.