Home

Legerplaats Ossendrecht

11Verbindingsbataljon

Verhalen & anekdotes

La Courtine 1964

Gezocht

Laatste nieuws

Oranje-Kazerne

Leiding C-Cie okt. 1964

Updates

Verhalen La Courtine '64

Links

Donaties

Fotopagina's

Personeelslijst

Gastenboek - Reacties

La Courtine 2009

Contact

Opkomst en de Magic Speech. Woensdag 10 juni 1964.

 

Nog lang niet vergeten

Sinds de keuring van 13 mei 1963 had ik in bijna één jaar tijd slechts éénmaal iets van Koningin Juliana gehoord.

Op de keuringsdag hadden we allemaal een paar buisjes bloed gedoneerd. Ongeveer een maand na de keuring kregen we allemaal een witte kaart met daarop vermeld de bloedgroep die daarmede was vastgesteld. Een belangrijk document dat ik al die jaren zorgvuldig bij mijn autopapieren heb bewaard. Altijd handig voor het geval, dat ik ongewild bij een auto ongeluk betrokken zou raken.

 

Maar op 18 april 1964 bleek dat ze me nog lang niet was vergeten. Op die datum kreeg ik (en waarschijnlijk ieder ander van lichting 64-3) weer post van haar: de oproep om de actuele dienstplicht te gaan verrichten. De brief bevatte een uitgebreide instructie over waar en hoe ik me moest melden. Wat ik moest meenemen en wat niet. Welke trein ik moest nemen en waar ik moest overstappen, compleet met aankomst- en vertrektijden. Ook stonden er in de brief een aantal griezelige dingen die zouden gebeuren als ik niet zou verschijnen. En nog wat aanwijzingen. Aangehecht waren de vrij vervoerbewijzen. Het Leger liet niets aan het toeval over en had alles tot in de puntjes voorbereid. En dat was één van de dingen die we in het leger konden leren: bereid alles goed voor, oefen alles goed en laat niets aan het toeval over. Mocht er dan toch nog iets fout gaan, dan is improvisatie een makkie om de situatie alsnog te beheersen.

 

De Opkomst


Hier ging de reis heen: Legerplaats Ossendrecht. Foto: Frits Diks.

Op een heel zonnige woensdagmorgen 10 juni 1964 (de zomer van 1964 was een hele zonnige en warme, waarover later meer) begaf ik me voorzien van de oproepbrief, de aanwijzingen en een weekendtas gevuld met tandenborstel, pyjama en andere nuttige zaken naar het station van Heerlen. Er vanuit gaande dat ik voor mijn loyale medewerking aan de verdediging van ons land wel royaal betaald zou worden, nam ik niet te veel geld mee. Dat was een kapitale vergissing, zoals ik later zou ontdekken.

Op het station zag ik meerdere jonge mannen met weekendtassen of koffers en aan de vrijvervoerbewijzen die ze hadden, zag ik dat ook zij voor eerste oefening onder de wapenen waren geroepen. Enkelen werden uitgezwaaid door hun vriendinnen. Aan hun gezichten was te zien dat ze het afscheid nog minder leuk vonden dan hun vriend, die nu zo heldhaftig zijn grondwettelijke taken ging vervullen. In een hoek stond een pestkop die zachtjes: “Ik sta op wacht” begon te neuriën en prompt biggelde hier en daar een traan over een vrouwenwang.

Om 8.47 uur vertrok de trein, inmiddels behoorlijk gevuld met weekendtassen en bijbehorende eigenaren. Bij elke stop werd de trein voller, maar in Roermond stapten er ook weer een stel jongens uit. De achterblijvers waren groen van jaloezie, denkende dat die jongens een militaire thuiswedstrijd speelden. Maar al snel wisten we dat die niet naar een militair opleidingskamp gingen, maar naar het seminarie van het Bisdom Roermond. En toen was de jaloezie snel verdwenen. Dienstplicht? Allez, maar ook nog het celibaat, dat zagen we toch niet zitten.

 


Wachten op de "BUS" naar Ossendrecht. Foto: LFFD.

In Den Bosch moesten diegenen die richting Roosendaal gingen overstappen. Daar maakten we voor het eerst kennis met het fenomeen Militaire Trein: oude treinen van vóór of uit de Tweede Wereldoorlog. De treinen hadden houten banken en het comfort van een middeleeuwse pijnbank. Alweer zo’n vernuftige zet van Het Leger: daarmede konden we alvast wennen aan het comfort van de komende maanden.

 

Met de "BUS"

In Roosendaal moesten we uitstappen en werden we opgevangen door strenge mannen van de Militaire Politie. Ze wezen ons de weg naar de autobussen die ons verder zouden vervoeren. Omdat we toen nog niet precies wisten wat onze rechten onder de Krijgswet waren, hielden we ons maar aan hun aanwijzingen. De eerste dag al de bajes in, dat zag niemand zitten.

Toch was het zaak om even goed op te letten, want in Roosendaal was ook de opleidingsbasis voor de Commando’s. Ik heb later begrepen dat er toch menige rekruut voor Roosendaal in Ossendrecht terecht kwam. Dat overleefde je dan nog wel, maar diegene die in Ossendrecht moest zijn en in Roosendaal terecht kwam, was nog niet klaar.

Buiten het station maakten we gelijk kennis met de fenomenale camouflage techniek van Het Leger: de autobussen waren vermomd als vrachtwagens. Om de vermomming compleet te maken hing er aan de voorzijde op de grille een bordje met daarop in grote letters “BUS”. Overrompeld door zoveel enthousiasme maakte niemand bezwaar en hezen we ons in die “bussen”.

Nadat er 20–22 man waren ingestapt vertrok onze “bus“ naar Ossendrecht waar we, via Bergen op Zoom, na een ruim halfuurtje arriveerden. Aan de poort stond iemand op wacht, maar wij werden zonder controle toegelaten en toen maakten we kennis met Legerplaats Ossendrecht.

 


Aankomst van de bus in Ossendrecht. Foto: LFFD.

Direct rechts na de ingangspoort waren een aantal gebouwen. Het eerste gebouw was het wachtgebouw. In dit gebouw zat ook de telefooncentrale, de kapper, de kazernedokter en nog wat voorzieningen. Links stonden een vijftal legeringsgebouwen en lag een enorme asfaltstartbaan. Dit bleek later de exercitieplaats te zijn. Aan de andere zijde van de startbaan was nog een rij met drie legeringsgebouwen.

We stapten uit de bus en werden naar een grote hal gebracht: de sporthal. Die voor deze gelegenheid was vol gezet met lange rijen tafels waarachter tientallen personen met en zonder uniform zaten. Ze waren druk bezig  met het registreren en instrueren van de nieuw aangekomen rekruten.

Het was even uitzoeken waar we moesten zijn, maar daarna ging ook alles van een leien dakje. De groep splitste zich hier op. 'n Gedeelte ging naar de Artillerie en de overigen kwamen in verschillende andere Batterijen terecht.

 

We kregen wat papieren uitgereikt met o.a. het militaire paspoort (op dat moment zat er nog geen foto in) en liepen langs een paar kleermakers, die aan de hand van lengte en gewicht onze maten bepaalden. En ons een paar afschuwelijke schoenen, een groene overall, een stel groen ondergoed, een drinkbeker en een zakje met een mes, vork en lepel uitreikten. De eerste onderdelen van de Persoonlijke Standaard Uitrusting (PSU). Hierna wandelden we naar een gebouw waar ons een kamer werd aangewezen. Hier waren al een aantal jongens aanwezig.

 

Belangrijke militair

Er was ook een hoge militair aanwezig. Althans dat dachten we toen, want hij had een paar strepen op zijn schouders. Hij stelde zich voor als Wachtmeester der Eerste Klasse (WMR1) van der Velde.

Hij was ongeveer 1.80 meter, had een gemiddeld postuur en was rond de 30 jaar, de leeftijd van een opa. Tenminste dat dachten we toen, want iedereen ouder dan 25 jaar was in onze ogen al zo dicht bij zijn A.O.W. Overigens gaf hem dat, afgezien van zijn strepen, nog veel meer aanzien.

Hij droeg militaire kleding met grote zakken op de benen. Om zijn middel had hij een groene riem met gaatjes. Zoals we later leerden was dat het gevechtspak met de koppelriem. De riem had hij niet vastgemaakt aan het gevechtspak. Daardoor zakte het gevechtspak iets onder de riem uit, waardoor het kruis iets te laag hing. Het gaf hem iets aandoenlijks, maar tegelijk het uiterlijk van een ijzervreter. Dus hielden we maar wijselijk onze mond als hij iets zei. Je wist nooit of hij in woede zou uitbarsten en zijn revolver zou trekken. Waarschijnlijk hadden we teveel Roy Rogers cowboyfilms gezien. Van der Velde had niet eens een revolver.

Hij bleek één van de aardigste mensen te zijn die Het Leger ooit heeft voortgebracht en hij heeft menige rekruut uit de penarie gered.

Hij vertelde dat hij onze afdelingswachtmeester instructeur was (wat een afdeling of peloton was, wisten we toen nog geen van allen).

 

We mochten op de kamer een bed uitzoeken. Van der Velde vroeg ons de burgerkleding uit te doen en in een kast op te bergen die naast het bed stond. We trokken het groene ondergoed aan, de overall en de schoenen. Omdat we op die dag nog niet wisten hoe we ons volgens het militaire protocol moesten melden, kregen we een plastic naambadge uitgereikt met daarin een geel plaatje. Hierop moesten we onze naam schrijven en dat vervolgens aan de linker borstzakknoop hangen. Na een half uurtje liepen er op de kamer jongens rond met plaatjes op de borst met namen als: Al, Tosserams, Wilbrink, Borghans, Tuijnman en Blokker. En nog een stuk of 15 waarvan ik nu de namen niet meer weet.

 

Het Cafetaria


De pas gearriveerde rekruten met de KMA korporaal. Foto: Kees Blokker.

Van der Velde had inmiddels versterking gekregen van een korporaal van de Koninklijke Militaire Academie die hier op stage was. Ook een aardige vent.

Van der Velde vond dat we eerst maar eens moesten gaan eten. Dat vonden we een goed plan en zo liepen we met zijn allen naar een grote eetzaal die in Militaire Termen de naam “Cafetaria” had gekregen, maar die dezelfde avond al was omgedoopt tot “Vreetschuur”. Ach, dienstplichtigen hadden nu eenmaal niet veel op met het militaire eten. Wat onterecht was, want aan het eten is nooit iemand dood gegaan.

Van der Velde gaf uitleg over de werkwijze in het Cafetaria. We moesten een metalen plaat pakken, waarin door de een of andere machine drie deuken waren geslagen. Één grote ovale en twee kleinere. Het Leger had voor deze metalen platen ook een naam bedacht: “Plate”. Met deze Plate’s liepen we langs de loketten in het Cafetaria en de mannen die er achter stonden mikten met een paar grote zwaaien verschillende gerechten in de deuken van de Plate’s. Van der Velde had ons verteld om bij het juiste loket de juiste deuk aan de voorzijde te hebben. Het hoofdgerecht moest in de grote ovale deuk komen en de soep en het nagerecht (jawel dat was er ook) in één van de kleinere deuken. Als je hier niet goed oplette, eindigde je met veel soep of pap en weinig aardappelen. Of omgekeerd.

Na het eten gingen we terug naar de kamer. Inmiddels waren er nog een paar laatkomers gearriveerd en die werden ook verzocht van kleding te wisselen.

 

De Magic Speech


Wmr1 van der Velde

ging niet met ons op de

foto. Hoe hij er uit zag

weet ik nu echt niet meer.

Toen hield Van der Velde zijn wereldberoemde speech. Waar ik mijn hele diensttijd en daarna mijn hele leven veel voordeel van heb gehad. Ik laat van der Velde even aan het woord: “Mijne heren, hartelijk welkom in Het Leger. Vanaf nu gelden voor jullie niet alleen de gewone wetten. Maar vallen jullie ook nog onder de krijgstucht (we wisten niet eens wat dat was). In het leger zullen jullie kennis maken met mensen die uit alle hoeken van Nederland komen. Friezen, Limburgers, Zeeuwen en Groningers. Ze hebben allemaal hun eigen gewoonten en hun eigen taaltje en dat kan regelmatig tot misverstanden en problemen leiden. Ik zal een voorbeeld geven. Vorige lichting hadden we hier iemand uit Groningen die zegt tegen mij: “Ik kan goud scheit’n”.

Alle aanwezigen lagen in een deuk. Ik zelf ben een geboren Fries, mijn zuster woonde toen in Zuidhorn (Groningen). Ik verstond heel goed Gronings. Ik had wel door dat de kwaliteiten van de betreffende persoon op een heel ander vlak lagen dan het produceren van goud. Waarom de rest van de kamer dus in een deuk lag, was voor mij compleet onduidelijk. Van der Velde ging verder:  “Daar wilde ik het mijne van weten en dus zei ik dat hij dat maar eens moest laten zien. Toen bleek dat ze in Groningen daarmee bedoelen, dat hij goed kan schieten" (de kamer lag weer in een deuk). “Ik wil maar zeggen dat een misverstand zo is ontstaan en soms heel vervelende gevolgen kan hebben”.

Van der Velde vervolgde:

“Zoals jullie weten zijn jullie hier om je Dienstplicht te vervullen. Jullie zijn dus gedwongen hier. Velen zijn het daar niet mee eens en zullen zich voortdurend verzetten. Maar wat je ook doet, je zult de tijd toch moeten vol maken. Daarom is het veel verstandiger voor je zelf om er de komende tijd het allerbeste van te maken. Dan vliegt de tijd om en ben je weer thuis voor je het in de gaten hebt”. Hij deed er gelijk wat voorbeelden bij:

“Stel; je hebt je ‘s morgens geschoren en bij een inspectie zegt men dat je niet geschoren bent. Je kunt direct je stekels opzetten en zeggen: "IK HEB ME WEL GESCHOREN". Dat levert je bijna zeker een douw op. Maar je kunt ook zeggen: "O, DAN HEB IK ME ZEKER NIET GOED GENOEG GESCHOREN", Dan heb je ook je zegje gedaan, maar heeft het verder geen gevolgen. Ga de komende tijd een beetje door de knieën en buig een beetje mee. Maak er het beste van”.

En dat is wat ik van van der Velde leerde. Als ik het er niet mee eens was, dacht ik eerst even goed na en gaf daarna pas mijn mening. Van van der Velde leerde ik dus, dat je met stroop meer vliegen kunt vangen dan met azijn. En dat het op die manier vliegen vangen echt geen slijmen is. De volgende twee maanden zou hij ons nog veel meer nuttige dingen leren.

De rest van de dag gebeurde er niet veel. Er kwamen nog wat nakomers en we gingen nog een keertje eten. De oudste jongen werd benoemd tot contactpersoon en kreeg de titel: “Kameroudste”. Dat was vlot carrière maken.

 

De Moppentrommel

Om tien uur was er een soort van appel en toen moest het licht uit. In die tijd kon ik probleemloos vier tot vijfhonderd moppen uit de mouw schudden. Er waren nog een stuk of vier jongens die dat ook konden en dus begonnen we toen, gezeten op de bedrand, in het donker moppen te tappen. Dat duurde tot een uur of half vijf in de morgen, waarna we gingen slapen. Om zes uur, nauwelijks anderhalf uur later, werden we uit bed geblazen en begonnen we bekaf met roodomrande ogen aan het militaire leven.

 

Basisopleiding


Generaal de Bonskazerne in Grave. Foto: X.

De basisopleiding was voor alle militairen van alle onderdelen in principe gelijk. De Verbindingsdienst had geen eigen basisopleidingdepots, dus werd de basisopleiding uitbesteed en ondergebracht bij andere legeronderdelen die wel over opleidingsdepots beschikten. Een klein deel van de Verbindingsdienst kreeg de basisopleiding bij een depot van, ik meen de Technische Dienst, in de Generaal de Bons kazerne in Grave. De meesten van deze Grave Verbindingsmannen werden later radiotelegrafist of chauffeurmonteur.

Maar verreweg het grootste deel van de Verbindingsdienst kwam op, “voor eerste oefening” zoals dat heette, bij een opleidingsdepot van de Artillerie in Legerplaats Ossendrecht bij Bergen op Zoom, vlak bij de Belgische grens.

 

De Artillerie had zo zijn eigen aardigheden. Die eigen aardigheden kwamen doordat de Artillerie, net als de Cavalerie en de Marechaussee, van oorsprong met paarden had gewerkt. Zo heette een sergeant bij die militaire onderdelen geen sergeant maar Wachtmeester, een kapitein was een Ritmeester, een bataljon was een Afdeling en een compagnie was een Batterij. Zo hadden ze nog wat van die zonderlinge dingen, maar verder waren die lui van de Artillerie wel aardige mensen.

 

Zoals gezegd was in principe de basisopleiding voor alle militairen gelijk, maar de echte gevechtsjongens als infanteristen, artilleristen, cavaleristen en niet te vergeten, de commando’s, hadden het heel wat zwaarder te verduren dan de mannen van de AAT (Aan en Afvoertroepen), Intendance, Geneeskundige dienst, de koks, de administratie en de Verbindingsdienst.

In de eerste twee maanden leerde je o.a. de rangen en standen. En de militaire mores. Zoals groeten en melden bij een meerdere. In de houding staan als de vlag werd gehesen of werd gestreken (daarbij mocht de vlag nooit op de grond vallen), niet lopen met een zakje frieten, niet liften, altijd spreken met twee woorden. Dat soort dingen.

 

Kees Blokker, Voerendaal, 25 augustus 2010. Met bijdragen van Frits Diks, LFFD, X.

Het copyright van de foto's en artikelen op deze site berust bij de eigenaar van de betreffende foto of het artikel of bij de oorspronkelijke maker van de foto of het artikel. Merken en Merknamen worden alleen vermeld ter identificatie van het product en zijn eigendom van de betreffende eigenaar van dat Merk of die Merknaam. Mocht u menen zekere rechten te kunnen doen gelden, neem dan even contact met mij op.